GL - chapitre 6 - 20 mei 2021 (2)

1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Qu'est-ce qu'on va faire aujourd'hui? 

  • expliquer le verbe 'faire'
  • écouter une chanson
  • faire les exercices


Slide 2 - Tekstslide

le verbe 
faire

Slide 3 - Tekstslide

Lesdoelen: aan het einde van de les...

  1. herken ik het werkwoord faire in een Franse zin.
  2. kan ik in het Frans vertellen welke sport iemand beoefent.

Slide 4 - Tekstslide

Faire

  • Het werkwoord faire wordt vaak gebruikt om een activiteit aan te geven! 
par exemple:
  • faire du cheval = ?
  • faire du shopping = ?
  • faire du foot = ?

Slide 5 - Tekstslide

Faire- schrijf dit op in jouw schrift!
faire
doen/maken
je fais 
ik doe/maak
tu fais
jij doet/maakt
il/elle/on fait
hij/zij/men doet/maakt
nous faisons
wij doen/maken
vous faites
jullie/u doen/maken
ils/elles font
zij doen/maken

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

FAIRE : Combineer blauw met rood
wij doen
zij doet
jij doet
ik doe
jullie doen
zij doen
nous faisons
je fais
ils font
tu fais
elle fait
vous faites

Slide 8 - Sleepvraag

Vous (faire) du sport
A
faisez
B
fallez
C
faites
D
fêtes

Slide 9 - Quizvraag

nous (faire) du cheval
A
fairons
B
faisons
C
faxons
D
fallons

Slide 10 - Quizvraag

Je (faire) du foot.
A
fais
B
vais
C
fait
D
vas

Slide 11 - Quizvraag

Faire du sport = sporten
Om te vertellen in het Frans  welk sport jij beoefent
 gebruik jij een vorm van 
FAIRE  +
DU / DE LA / DE L' 
je fais de la natation = ik zwem
tu fais du foot = jij voetbalt
...etc  

Slide 12 - Tekstslide

je fais du / de la /de l' 
du met mannelijke sportnamen

 
de la met vrouwelijke sportnamen


de l'   als de sportnaam met een klinker / stomme h begint


Slide 13 - Tekstslide

Je fais ......foot
A
de la
B
du
C
de l'

Slide 14 - Quizvraag

Tu fais.....natation
A
du
B
de l'
C
de la

Slide 15 - Quizvraag

Claudine fait .....équitation
A
de la
B
de l'
C
du

Slide 16 - Quizvraag

Vous .....du tennis
A
fais
B
faitez
C
faisez
D
faites

Slide 17 - Quizvraag

Odette et sa soeur ..... de la gym.
A
fait
B
font
C
faites
D
faisons

Slide 18 - Quizvraag

Faire 
être       avoir        aller       faire
ils sont   ils ont    ils vont     ils font
Oh là là !!!
Hoe kun jij alles onthouden ?

Slide 19 - Tekstslide

être

het werkwoord met 
3 x s s s
Je suis
Nous sommes 
Ils / elles sont
avoir 

het rijtje begint
altijd
met een klinker 
J'ai, tu as, il a
nous avons, vous avez, 
ils/elles ont

Slide 20 - Tekstslide

aller

het werkwoord met de
V
je vais, tu vas, il va
nous allons, vous allez
ils vont 
faire

het werkwoord met 
F
fais, fais, fait,
faisons, faites, 
font

Slide 21 - Tekstslide

vertaal in het Frans : ik zwem

Slide 22 - Open vraag

Vertaal : zij [ vrouw] voetballen

Slide 23 - Open vraag

Vertaal : Victor tennist

Slide 24 - Open vraag

Vertaal : wij fietsen

Slide 25 - Open vraag

A/ Elle fait quoi ?
Bedenk zelf de Franse zin...

Slide 26 - Tekstslide

Et toi, tu fais quel sport ?
Schrijf in het Frans welk sport jij beoefent...

Slide 27 - Tekstslide

Leerdoelen behaald? Aan het einde van de les:
- herken ik het werkwoord faire in een Franse zin.
- kan ik in het Frans vertellen welke sport iemand beoefent.
Oui
Non

Slide 28 - Poll