10.1 Voeding

10.1 Voeding
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

10.1 Voeding

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
1. Je kunt de afbraak van voedingsstoffen beschrijven als een chemisch proces, waarbij de producten als basis dienen voor het maken van lichaamseigen stoffen. 
2. Je kunt de functie van eiwitten, koolhydraten en vetten in de levende natuur benoemen. 

Slide 2 - Tekstslide

Wat is de functie van het celmembraan?
A
Het celmembraan zit om de cel heen en zorgt ervoor dat de stoffen in de cel blijven.
B
Het bepaalt wat de cel in- en uitgaat.
C
A en B zijn allebei goed
D
A en B zijn allebei fout

Slide 3 - Quizvraag

Koolhydraten vind je in
A
brood, pasta, aardappelen
B
kip, vis, champignons, noten
C
boter, olijfolie, vette vis
D
groenten

Slide 4 - Quizvraag

Koolhydraten leveren ... in je lichaam
A
energie
B
energie en bouwstoffen
C
energie, energiereserve en bouwstoffen voor celmembranen

Slide 5 - Quizvraag

Eiwitten vind je in
A
brood, pasta, aardappelen
B
kip, vis, champignons, noten
C
boter, olijfolie, vette vis
D
groenten

Slide 6 - Quizvraag

Eiwitten leveren ... in je lichaam
A
energie
B
energie en bouwstoffen
C
energie, energiereserve en bouwstoffen voor celmembranen

Slide 7 - Quizvraag

Vetten vind je in
A
brood, pasta, aardappelen
B
kip, vis, champignons, noten
C
boter, olijfolie, vette vis
D
groenten

Slide 8 - Quizvraag

Vetten leveren ... in je lichaam
A
energie
B
energie en bouwstoffen
C
energie, energiereserve en bouwstoffen voor celmembranen

Slide 9 - Quizvraag

Celmembranen
Celmembranen zorgen ervoor dat alles wat in een cel moet blijven erin blijft en alles wat erbuiten zit, erbuiten blijft. Het celmembraan bepaalt dus ook wat er in de cel gaat en wat eruit. 
In de cel vinden allerlei belangrijke chemische reacties plaats, bv om eten om te zetten in energie. 

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Energie krijgen
Als je eet, komt je eten in je maag. Daarna gaat het door naar je darmen. In je maag en darmen wordt je eten afgebroken tot kleine moleculen die opgenomen worden in je bloed. Vervolgens kunnen de 'eet-moleculen' opgenomen worden in je cel en daar reageert het met zuurstof zodat er energie ontstaat. Dat is een verbranding, maar zonder vuur. 
eet-moleculen + O2 --> CO2 en H2O

Slide 14 - Tekstslide

Brandstoffen in voeding
koolhydraten               vetten
 waarvan suikers         verzadigd
                                            onverzadigd
                                            meervoudig onverzadigd
  
Eiwitten, vitamines, vezels, mineralen                                              

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Macronutriënten 


Micronutriënten 


vitamines



mineralen 
koolhydraten
(brandstof)
vetten
(brandstof + bouwstof) 
eiwitten 
(bouwstof)

Slide 17 - Tekstslide

Macronutriënten 


koolhydraten: condensatieproduct van suikers 
(Binas T67F1/2/3)



koolhydraten
(brandstof)
vetten
(brandstof + bouwstof) 
eiwitten 
(bouwstof)

Slide 18 - Tekstslide

Macronutriënten 


vetten: condensatieproduct van glycerol en vetzuren (Binas T67G1/2)


koolhydraten
(brandstof)
vetten
(brandstof + bouwstof) 
eiwitten 
(bouwstof)

Slide 19 - Tekstslide

Macronutriënten 


eiwitten: condensatieproduct van (essentiële) aminozuren  (Binas T67H1)



koolhydraten
(brandstof)
vetten
(brandstof + bouwstof) 
eiwitten 
(bouwstof)

Slide 20 - Tekstslide

H10.2 Vetten

Slide 21 - Tekstslide

Leerdoelen
  • 10.2.1 Je kunt op microniveau de structuur beschrijven van vetten en oliën
                  en de synthese en hydrolyse van vetten in een reactievergelijking
                  weergeven.

Slide 22 - Tekstslide

Dus anders gezegd in leerdoelen
  • Je  weet wat de functie is van vetten in onze voeding;
  • Je weet hoe vetten zijn opgebouwd;
  • Je kunt een reactievergelijking in structuurformules  geven van
      de vorming van vetten
  • Je weet wat het verschil is tussen verzadigde en onverzadigde vetten 

Slide 23 - Tekstslide

Functie van vetten
  • Energiebron en reserve opslag voor energie.
  • Opbouw van de celmembraan.
  • Isoleren en beschermen van organen.
  • Bouwsteen voor hormonen.

Slide 24 - Tekstslide

Bouw van vetten: vetten zijn esters
bijvoorbeeld:    methanol  + butaanzuur

Weet je het nog?
Hoe heet dit type reactie?

Slide 25 - Tekstslide

Geef de reactievergelijking in structuur-
formules van de vorming van de ester uit 
propaan-1-ol en ethaanzuur.
timer
3:00

Slide 26 - Tekstslide

Vet = ester van glycerol + vetzuur
  • Zoek in Binas de systematische naam van glycerol
  • Teken de structuurformule van glycerol
  • Zoek in Binas de structuurformule op van vetzuren
  • Hoeveel vetzuurmoleculen kunnen reageren met 1 molecuul glycerol?
timer
4:00

Slide 27 - Tekstslide

Teken de structuurformule van het vet dat ontstaat uit 1 molecuul glycerol en 3 moleculen stearinezuur. De lange koolstofstaart van stearinezuur mag je afkorten als ~C17H35 .
timer
4:00

Slide 28 - Tekstslide

Vorming van vetten: Binas 67G1

Binas 67G2
glycerol     +          vetzuren
vet (triglyceride)             +      water   

Slide 29 - Tekstslide

Uit de naam de structuur van het vet afleiden:
  • het deel dat afkomstig is van glycerol noem je glyceryl-
  • de uitgang van het vetzuur eindigt op -aat bijv. stearaat (van
      stearinezuur)
  • telwoord  geeft het aantal vetzuren aan

  • Voorbeeld: glyceryltristearaat teken je dus zo:
         (= vet van glycerol + 3x stearinezuur)

Slide 30 - Tekstslide

Geef de systematische naam van dit vet. Gebruik Binas tabel 67G.
A
glyceryltrilinolaat
B
glyceryltrioleaat
C
glyceryltripalmitaat
D
glyceryltristearaat

Slide 31 - Quizvraag

Welke vetzuren zijn in dit vet veresterd?
A
2x oliezuur 1x palmitinezuur
B
2x stearinezuur 1x palmitinezuur
C
2x palmitinezuur 1x oliezuur
D
2x palmitinezuur 1x stearinezuur

Slide 32 - Quizvraag

Welke vetten passen het best in een gezond voedingspatroon?
A
Verzadigde vetten
B
Onverzadigde vetten
C
Transvetten
D
Geen vetten

Slide 33 - Quizvraag

Verzadigde en onverzadigde vetten
  • Verzadigd vetzuur = alleen enkele C-C bindingen aanwezig.
  • Onverzadigd (enkelvoudig of meervoudig) vetzuur = 1 of meer dubbele C=C bindingen aanwezig.

Slide 34 - Tekstslide

Verzadigde en onverzadigde vetten
verzadigd vetzuur:
De koolstofstaart heeft 2x zoveel H's als C plus één extra aan het eind:
~CnH2n+1 dus: ~C17H35
 en ~C15H31
onverzadigd vetzuur:
voor elke C=C in de keten zijn er 2 H's minder, dus bij 17 C's en 33H's is er 1x C=C. Dit vetzuur komt 2x voor in het molecuul.

Slide 35 - Tekstslide

Door de C=C in ketens van onverzadigde vetzuren liggen vetzuurketens minder geordend en is de afstand tussen de vetmoleculen groter. De vdWaalsbinding is hierdoor zwakker. Hierdoor ligt het smeltpunt van onverzadigde vetten lager

Slide 36 - Tekstslide

Aan de slag
H10.1: opdracht 1 t/m 6
H10.2: opdracht 10 t/m 14

Slide 37 - Tekstslide