Nederlands - Periode 3 - Toetstermen

Nederlands - Periode 3 - Toetstermen
1 / 10
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsHBOStudiejaar 1

In deze les zitten 10 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Nederlands - Periode 3 - Toetstermen

Slide 1 - Tekstslide

Verwijswoorden
Wat is het?
Een verwijswoord verwijst naar iets dat eerder in de tekst is genoemd.
Zo hoef je een woord niet steeds te herhalen.

Voorbeelden
Lisa heeft een nieuwe fiets. Hij is rood.
Hij verwijst naar fiets.

De kinderen spelen buiten. Zij hebben plezier.
→ Zij verwijst naar de kinderen.

Hoe herken je het?
Vraag: Waar verwijst dit woord naar?

Slide 2 - Tekstslide

Werkwoord
Wat is het?
Een werkwoord zegt wat iemand doet of wat er gebeurt.

Voorbeelden
lopen -fietsen -slapen -eten - maken

In een zin:

Ik loop naar huis. - Zij slaapt. - Wij eten pizza.

Hoe herken je het?
Het is een doe-woord. Je kunt er vaak -en achter zetten:
loopt → lopen
maakt → maken

Slide 3 - Tekstslide

Persoonsvorm
Wat is het?
De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd zet.

Voorbeelden
Ik loop naar school.
Ik liep naar school.

Wij maken huiswerk.
Wij maakten huiswerk.

Hoe herken je het?
Zet de zin in de verleden tijd of tegenwoordige tijd. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.

In een vraag staat de persoonsvorm vaak vooraan: Ga jij naar school?

Slide 4 - Tekstslide

Onderwerp
Wat is het?
Het onderwerp is wie of wat iets doet in de zin. 
Het onderwerp hoort bij de persoonsvorm.

Voorbeelden
Sara loopt naar huis.
De hond blaft hard.
Wij maken huiswerk.

Hoe herken je het?
1 . Zoek de persoonsvorm. 
2. Maak er een vraag van - Loopt Sara naar huis?
3. Vraag: Wie of wat + persoonsvorm?
Wie loopt? → Sara = onderwerp.

Slide 5 - Tekstslide

Signaalwoorden
Wat is het?
Een signaalwoord laat zien wat het verband is tussen zinnen of delen van een tekst. Het helpt je begrijpen hoe zinnen met elkaar te maken hebben.

Voorbeelden
Ik blijf thuis omdat ik ziek ben. (oorzaak)

Ik wil naar buiten, maar het regent. (tegenstelling)

Het regent, dus ik neem een paraplu. (gevolg)

Hoe herken je het?
Vraag: Wat is het verband?
Is het een oorzaak, gevolg, tegenstelling of opsomming?

Slide 6 - Tekstslide

Samengestelde Zinnen
Wat is het?
Een samengestelde zin bestaat uit twee of meer zinnen in één lange zin. Er staan meerdere persoonsvormen in.

Voorbeelden
Ik ga naar school en ik zie mijn vriend.

Ik blijf thuis omdat ik ziek ben.

Hij fietst naar werk, maar het regent hard.

Hoe herken je het?
Tel de persoonsvormen.
Zijn het er twee of meer? Dan is het een samengestelde zin

Slide 7 - Tekstslide

Congruentiefout
Wat is het?
Een congruentiefout is een fout waarbij het onderwerp en de persoonsvorm niet goed bij elkaar passen.

Voorbeelden
Fout: De kinderen loopt naar school.
Goed: De kinderen lopen naar school.
Fout: Wij heeft gewonnen.
Goed: Wij hebben gewonnen.

Hoe herken je het?
Zoek het onderwerp. Kijk of de persoonsvorm daarbij past.

Enkelvoud: loopt, heeft
Meervoud: lopen, hebben

Slide 8 - Tekstslide

Voorzetsel
Wat is het?
Een voorzetsel is een woord dat iets zegt over plaats, tijd of richting.

Voorbeelden
Het boek ligt op tafel.
Ik ga naar school.
De kat zit onder de stoel.
Wij praten over het probleem.

Veel voorkomende voorzetsels:
in – op – onder – naast – achter – voor – met – zonder – naar – van

Hoe herken je het?
Het staat meestal vóór een zelfstandig naamwoord. Het geeft antwoord op vragen als: Waar? Wanneer? Waarheen?

Slide 9 - Tekstslide

Boek 2F
- Ga naar taalverzorging
- Hoofdstuk 4.2
- Maak opdracht 1 t/m 5

Slide 10 - Tekstslide