Zinsbouw: Wie, wat, wanneer, waar (thema lente)

Zinsbouw: Wie, wat, tijd, waar

1 / 20
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNT2PraktijkonderwijsLeerjaar 1-5

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Zinsbouw: Wie, wat, tijd, waar

Hoe gaat het vandaag?

Welke dag is het vandaag?

Hoe is het weer?




Leerdoelen:

Aan het einde van de les kun je zinnen maken en in een zin aangeven: wie, wat, wanneer en waar.

Vorige les

  • Lente, voorjaar

  • genieten

  • dauw

  • vogel

  • ongeduldig

Wat is zinsbouw?

Zinsbouw is hoe je woorden in een goede volgorde in een zin zet: wie doet wat, wanneer en waar.

De delen van een zin

Wat gebeurt er? Bijvoorbeeld: plant bloemen.

Degene die iets doet, bijvoorbeeld: De jongen.

Wat (werkwoord)

Wie (onderwerp)

Tijd en plaats in een zin

Tijd vertelt wanneer iets gebeurt, plaats vertelt waar. Bijvoorbeeld: vanmorgen of in het park.

Voorbeeldzin

Voorbeeld

Analyse

De kinderen (wie) spelen (wat) in de lente (wanneer) buiten (waar).

Wie = de kinderen, wat = spelen, wanneer = in de lente, waar = buiten.

De basiszin

Onderwerp (wie/wat) - Werkwoord - Tijd (wanneer) - Manier (wat) - Plaats (waar).


De kuikens eten 's ochtends voer in hun hok.


De bloemknoppen komen in het voorjaar aan de bomen.

Maak een goede zin.








Madeline

in

de

speelt

buiten.

graag

lente

Maak een goede zin.






Khaled

op

het

ligt

gras.

Maak een goede zin.









De

legt

haar

vlinder

het

op

eieren

blad.

Maak een goede zin.







De

groeien

aan

knopjes

boom.

de

Maak een goede zin.








Irina

de

kuikens

aait

nest

hun

in

Zelf zinnen schrijven

Beschrijf wat je ziet op het plaatje. Denk aan de zinsbouw!
1. Onderwerp (wie of wat)
2. Persoonsvorm (werkwoord)
3. Wanneer
4. Wat
5. Waar

Zelf zinnen schrijven

Beschrijf wat je ziet op het plaatje. Denk aan de zinsbouw!
1. Onderwerp (wie of wat)
2. Persoonsvorm (werkwoord)
3. Wanneer
4. Wat
5. Waar

Zelf zinnen schrijven

Beschrijf wat je ziet op het plaatje. Denk aan de zinsbouw!
1. Onderwerp (wie of wat)
2. Persoonsvorm (werkwoord)
3. Wanneer
4. Wat
5. Waar

Zelf zinnen schrijven

Beschrijf wat je ziet op het plaatje. Denk aan de zinsbouw!
1. Onderwerp (wie of wat)
2. Persoonsvorm (werkwoord)
3. Wanneer
4. Wat
5. Waar

Zelf zinnen schrijven

Beschrijf wat je ziet op het plaatje. Denk aan de zinsbouw!
1. Onderwerp (wie of wat)
2. Persoonsvorm (werkwoord)
3. Wanneer
4. Wat
5. Waar

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.