CEL · MEMBRAANTRANSPORT
Examentraining
De cel en membraantransport: zo pak je examenvragen aan
CEL · MEMBRAANTRANSPORT
Examentraining
De cel en membraantransport: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Trương Minh Khải / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
CEL · MEMBRAANTRANSPORT
Wat ga je kunnen?
Ik kan in een situatie een celonderdeel, een transportvorm of een osmoseverschijnsel herkennen, met gegevens rekenen en mijn antwoord onderbouwen.
Deze slide heeft geen instructies
CEL · MEMBRAANTRANSPORT
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven: een cel, een stof, getallen, een grafiek of een schema?
2. Herken: welk celonderdeel, welke eigenschap van de stof en welk transport past erbij?
3. Vergelijk: waar is de concentratie of osmotische waarde hoger, en gaat het mee of tegen het verschil in?
4. Schrijf: een kort antwoord met het begrip én de reden, met eenheid als je rekent.
Deze slide heeft geen instructies
Bouw van een eukaryote (dierlijke) cel
CEL · MEMBRAANTRANSPORT
Vraagtype 1: vorm en functie
Koppel wat een cel veel doet aan zijn organellen en bouw.
Afbreken met enzymen: lysosomen. Eiwitten maken en afgeven: ribosomen, ruw ER en golgi-systeem.
Zwemmen of bewegen: een flagel of ciliën. Vraag je steeds af: wat doet deze cel?
Image credit: Eigen afbeelding
Een witte bloedcel breekt bacteriën af met enzymen. Welk organel?
Lysosoom
Ribosoom
Golgi-systeem
Kernlichaampje
Lysosomen bevatten enzymen voor afbraak. Verwachte fout: golgi-systeem kiezen omdat ook dat blaasjes maakt.
Welk organel laat een zaadcel zwemmen?
De flagel (zweepdraad). Verwachte fout: ciliën noemen. Ciliën zijn veel korte trilharen, een zaadcel heeft één lange flagel.
Diffusie, transport via een eiwit, actief transport, endocytose en exocytose
CEL · MEMBRAANTRANSPORT
Vraagtype 2: welk transport?
Kijk naar de richting: mee met het concentratieverschil is passief, ertegenin is actief.
Kost het energie? Dan actief transport, zoals een ionenpomp, of een blaasje bij endocytose en exocytose.
Let op de stof: vetoplosbaar gaat door de lipidelaag, wateroplosbaar gaat via een transporteiwit of pomp.
Noem het transport én de reden: richting, energie en eiwit.
Image credit: Eigen afbeelding
Na+ gaat de cel uit: binnen 10, buiten 140 mmol/L. Welk transport?
Diffusie door de fosfolipidelaag
Osmose door een semipermeabel membraan
Actief transport met een ionenpomp
Endocytose in een blaasje
Van lage naar hoge concentratie kost energie: actief transport met een ionenpomp. Verwachte fout: diffusie kiezen omdat het om een stof gaat die de cel uit gaat.
Glucose gaat zonder energie via een eiwit van hoog naar laag. Welk transport?
Actief transport via een ionenpomp
Diffusie door de fosfolipidelaag
Passief transport via een transporteiwit
Exocytose in een blaasje
Zonder energie en mee met het verschil: passief. Glucose is wateroplosbaar en gaat dus via een transporteiwit, niet door de lipidelaag. Verwachte fout: diffusie door de fosfolipidelaag kiezen.
CEL · MEMBRAANTRANSPORT
Vraagtype 3: rekenen met concentraties
Lees de eenheid en vergelijk twee waarden: deel de grootste door de kleinste voor "hoeveel keer".
Procentuele verandering: (nieuw min oud) delen door oud, keer 100.
Reken stap voor stap en schrijf de eenheid of het procentteken erbij.
Controleer: is de uitkomst logisch voor de situatie?
Deze slide heeft geen instructies
K+ binnen 150, buiten 5. Hoeveel keer meer?
150 gedeeld door 5 is 30 keer. Eenheid mmol/L valt weg bij een verhouding. Verwachte fout: 150 min 5 uitrekenen en 145 antwoorden.
Staafje 20 g wordt 22 g. Massatoename in %?
22 min 20 is 2 g. 2 gedeeld door 20 is 0,10, dus 10 procent. Verwachte fout: 2 delen door 22 en 9 procent vinden.
CEL · MEMBRAANTRANSPORT
Vraagtype 4: een grafiek lezen
Bekijk eerst de assen: wat staat er horizontaal en verticaal, en in welke eenheid?
Zoek het punt waar de lijn de nullijn snijdt: daar is geen netto verandering.
Zoek een knik in de lijn: wat gebeurt er op dat moment in de situatie?
Beantwoord met een gegeven uit de grafiek én het bijbehorende begrip.
Deze slide heeft geen instructies
Bij welke sucroseconcentratie is de oplossing isotonisch met de cellen?
0,2 mol/L
0,1 mol/L
0,3 mol/L
0,0 mol/L
Bij 0,2 mol/L is de massaverandering nul: er gaat netto geen water in of uit, dus de oplossing is isotonisch. Verwachte fout: 0,0 kiezen omdat daar de grootste verandering is. Image credit: Eigen afbeelding
Het gif remt de energievoorziening. Waarom daalt K+ in de cel daarna?
De pomp werkt harder
K+ verlaat de cel via exocytose
Osmose neemt K+ mee
De pomp stopt, K+ lekt weg
Zonder energie stopt de ionenpomp. K+ is in de cel veel hoger dan buiten en lekt dan langs het concentratieverschil naar buiten. Verwachte fout: denken dat het gif de pomp harder laat werken. Image credit: Eigen afbeelding
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Vorm en functie van celonderdelen
Welk transport?
Rekenen met concentraties
Een grafiek lezen
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.
CEL · MEMBRAANTRANSPORT
Tips voor op het examen
Schrijf bij transport altijd de richting op: mee met of tegen het concentratieverschil, en of het energie kost.
Water gaat bij osmose naar de hoogste osmotische waarde, dus naar de laagste waterpotentiaal.
Hypo en hyper gaan over de oplossing buiten de cel, vergeleken met de cel.
Reken met eenheden: een verhouding heeft geen eenheid, een percentage krijgt een procentteken.
Deze slide heeft geen instructies