Licht les 2

Welkom
Doe je mobiel in de telefoontas
Ga op je plekje zitten
Pak je Ipad
Pak je pen en schrift voor aantekeningen
Zet je tas op de grond 
We gaan zo beginnen
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nask / TechniekMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 22 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Welkom
Doe je mobiel in de telefoontas
Ga op je plekje zitten
Pak je Ipad
Pak je pen en schrift voor aantekeningen
Zet je tas op de grond 
We gaan zo beginnen

Slide 1 - Tekstslide

Spoorboekje
5 minuten voorbereiden
10 minuten herhalen
5 minuten groepjes maken
20 minuten zelfstandig werken
5 minuten afsluiten

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoel:
- Je kunt voorbeelden noemen van een natuurlijke en een kunstmatige       
    lichtbron.
- Je kunt beschrijven hoe je voorwerpen in je omgeving ziet.
- Je kunt uitleggen wat een spectrum is en hoe je een spectrum zichtbaar  
    maakt.
- Je kunt uitleggen hoe je een voorwerp met een bepaalde kleur ziet bij 
    verschillende kleuren licht.
- Je kunt uitleggen wat subtractieve en additieve kleurmenging is. 

Slide 3 - Tekstslide

Wit licht
Het licht van de zon

De zon is de belangrijkste natuurlijke lichtbron op aarde.
 Zonder zonlicht zou het leven op aarde ondenkbaar zijn.
Zonlicht is wit licht en bevat alle kleuren van het zichtbare licht.

Slide 4 - Tekstslide

Spectraalkleuren
Het witte licht van de zon bestaat uit alle kleuren van de regenboog. Dat kun je aantonen door zonlicht onder de juiste hoek op een driehoekig stuk glas, een prisma, te laten vallen. 
Op een scherm achter het prisma is dan een reeks kleuren te zien: rood, oranje, geel, groen, blauw en violet. 
Zo’n reeks kleuren wordt een spectrum genoemd.

Slide 5 - Tekstslide

Spectraalkleuren
Met een tweede prisma kun je de verschillende kleuren licht in het spectrum weer met elkaar mengen. Je krijgt dan weer het oorspronkelijke witte zonlicht terug. Met dit soort proeven kun je laten zien dat zonlicht een mengsel is van verschillende spectraalkleuren (de zuivere kleuren in het spectrum).

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Je omgeving zien
De meeste dingen om je heen geven zelf geen licht. Je kunt ze alleen zien wanneer ze worden verlicht. Het licht dat op het voorwerp valt, wordt dan diffuus teruggekaatst (in alle richtingen). Je ziet het voorwerp wanneer een deel van dit teruggekaatste licht in je ogen terechtkomt.

 

Slide 8 - Tekstslide

Je omgeving zien
Overdag worden de dingen om je heen door de zon verlicht. Je ziet de wereld dan ‘in kleur’. De verschillende kleuren ontstaan doordat veel voorwerpen het zonlicht maar gedeeltelijk weerkaatsen. Zo weerkaatst een rood voorwerp vooral de spectraalkleur rood en een blauw voorwerp vooral de spectraalkleur blauw. Het overige licht wordt door het voorwerp geabsorbeerd en omgezet in warmte.

Slide 9 - Tekstslide

Je omgeving zien
Witte voorwerpen kaatsen bijna al het zonlicht terug. Alle spectraalkleuren worden daarbij weerkaatst. 
Het teruggekaatste licht heeft daardoor dezelfde samenstelling als het oorspronkelijke zonlicht. 

Zwarte voorwerpen kaatsen juist heel weinig licht terug. Bijna al het zonlicht wordt geabsorbeerd, van welke kleur het ook is.

Slide 10 - Tekstslide

Het spectrum van lamplicht
Kaarsen, ledlampen en tl-buizen zijn kunstmatige lichtbronnen: ze zijn door de mens gemaakt. Met een zakspectroscoop kun je onderzoeken wat voor licht ze uitzenden. 
Als je door zo’n spectroscoop naar een lamp kijkt, zie je een spectrum van het lamplicht. Zo kun je vaststellen uit welke spectraalkleuren het licht bestaat.

Slide 11 - Tekstslide

Het spectrum van lamplicht
Een halogeenlamp en een tl-buis geven allebei wit licht. Maar als je de spectra van deze lampen vergelijkt, zie je duidelijke verschillen. Het spectrum van een halogeenlamp is heel gelijkmatig, net als dat van zonlicht. In het spectrum van een tl-buis overheersen bepaalde spectraalkleuren (de heldere lijnen), terwijl andere spectraalkleuren heel zwak zijn. Kleuren zien er in dit licht anders uit dan in zonlicht. Sommige lichtbronnen geven maar één kleur licht af.

Slide 12 - Tekstslide

Het spectrum van lamplicht
Bij het kiezen van lichtbronnen kijken mensen niet alleen naar de hoeveelheid licht; het is ook belangrijk welke kleur het licht heeft. Licht dat veel rood, oranje en geel bevat, maakt een warme indruk. Licht waar veel groen en blauw in zit, komt neutraal of zelfs koel over. Warm licht wordt veel toegepast in ruimtes waar het gezellig moet zijn. Voor een werkruimte wordt meestal gekozen voor helderwit, neutraal licht.

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Kleuren zien
Er bestaan lichtbronnen die maar één kleur licht geven. Een natriumlamp geeft bijvoorbeeld licht met een zuiver gele kleur. Het spectrum bestaat slechts uit twee smalle lijntjes in het gele gebied. Soms zie je ook nog een rood en een groen lijntje, die afkomstig zijn van het gas neon.

Slide 15 - Tekstslide

Kleuren zien
In het licht van een natriumlamp ziet de wereld er heel anders uit dan je gewend bent. Een paarse trui lijkt bijvoorbeeld donkergrijs of zwart. Dat komt doordat de trui het gele licht van de natriumlamp bijna volledig absorbeert. Een witte trui en een gele trui lijken onder een natriumlamp allebei geel. Het gele licht van de natriumlamp wordt door de twee truien even sterk teruggekaatst.

Slide 16 - Tekstslide

Subtractieve en additieve kleurmenging
In kleurenprinters worden verschillende kleuren inkt gemengd om andere kleuren mee te maken. In de inkt zitten stoffen die bepaalde kleuren absorberen en andere kleuren juist weer doorlaten. De inkt werkt als een filter. Als wit licht op een wit vel papier valt met daarop gele inkt, wordt blauw licht geabsorbeerd. Dit zien wij als geel licht. Door verschillende kleuren inkt te mengen kun je andere kleuren maken. Dit is subtractieve kleurmenging

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Subtractieve en additieve kleurmenging
Bij gekleurd licht werkt het anders. Als je groen, rood en blauw licht met elkaar mengt, krijg je wit licht. Dit is additieve kleurmenging. Ze voegen namelijk kleur toe in plaats van te absorberen. Je telefoon maakt hier slim gebruik van om zo alle mogelijke kleuren op je beeldscherm te krijgen.

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Groepjes maken.
We maken groepen van 4 personen.

Denk aan jullie eigen regels!

Slide 21 - Tekstslide

Huiswerk voor volgende les
Controleer jouw antwoorden met je groepsgenoten.
Maak de resterende vragen  van hoofdstuk 6 paragraaf 1.
Overleg welke steekwoorden je uit moet kunnen leggen.

Tip: lees de tekst in NOVA goed door, staan er woorden gearceerd, dik gemaakt of zelfs apart genoteerd?
Schrijf deze woorden op in je schrift met de betekenis er bij! 

Slide 22 - Tekstslide