Nask1 Nova M3 Repetitie Hfst.1 versie B

Toets  Nask1 H1  "Elektriciteit"
Versie B
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Toets  Nask1 H1  "Elektriciteit"
Versie B

Slide 1 - Tekstslide

Voordat je begint...
1. Geen telefoon anders dan gericht op je scherm.
2. Lees bij iedere opdracht zorgvuldig wat je moet doen.
3. Sla geen opdracht over. Je kan niet terug naar een opgave,
4. Klik bij een open vraag altijd eerst op bewaren. 
Ga daarna pas verder!
5. Vergeet niet om de toets in te leveren als je klaar bent.



Slide 2 - Tekstslide

Ik verklaar dat ik de toets zelf maak en dat ik geen hulpmiddelen (behalve Binas) gebruik.
A
Ja

Slide 3 - Quizvraag

Klaar om te beginnen?
De toets bestaat uit 21 vragen.
Je kunt 40 punten scoren.

Veel succes!

Slide 4 - Tekstslide


In de schakeling hiernaast is op twee plaatsen de stroomsterkte gemeten. De meetresultaten staan bij de schakeling vermeld. Hoe groot is de stroomsterkte in punt A?
A
0,4 A
B
0,6 A
C
1,0 A
D
1,6 A

Slide 5 - Quizvraag



Welke kleur heeft een nuldraad?
A
Bruin
B
Blauw
C
Groen/geel
D
Zwart

Slide 6 - Quizvraag


Elektrische stroom kun je vergelijken met een waterstroom. Bijvoorbeeld door een cv-installatie. Wat is de “pomp” in een elektrische stroomkring?
A
de ampèremeter
B
de lamp
C
de schakelaar
D
de spanningsbron

Slide 7 - Quizvraag



Welke zin is onjuist?
A
De afkorting (het symbool) van de stroomsterkte is I.
B
De eenheid van de stroomsterkte is ampère.
C
De stroomsterkte in een parallelschakeling is overal even groot.
D
De stroomsterkte meet je met een stroommeter.

Slide 8 - Quizvraag


Het vermogen van een apparaat is afhankelijk van andere twee grootheden. Welke grootheden zijn er dan?

A
energieverbruik en spanning
B
energieverbruik en stroomsterkte
C
spanning en stroomsterkte
D
spanning en tijd

Slide 9 - Quizvraag


Welke bewering is juist?
In de aardlekschakelaar wordt de stroom . . . . .
A
in de fasedraad vergeleken met de stroom in de nuldraad.
B
in de fasedraad vergeleken met de stroom in de schakeldraad.
C
in de nuldraad vergeleken met de stroom in de schakeldraad.
D
in de nuldraad vergeleken met de stroom in de zekering.

Slide 10 - Quizvraag


In een wasmachine is de isolatie rond een elektriciteitsdraad kapotgegaan. Er loopt nu een klein lekstroompje (ongeveer 65 mA) naar de aarde.
Door welke draad loopt dit stroompje?
A
door de nuldraad
B
door de fasedraad
C
door de aarddraad
D
door de schakeldraad

Slide 11 - Quizvraag


In een schakeling zijn twee lampjes parallel geschakeld.
Welke bewering over de spanning in deze schakeling is JUIST?
A
De spanning is overal in de stroomkring gelijk.
B
De totale spanning vind je door de spanning door de twee lampjes bij elkaar op te tellen.
C
De totale spanning is gelijk aan het vermogen van de twee lampjes samen.
D
De totale spanning is gelijk aan de stroomsterkte.

Slide 12 - Quizvraag

Reken om:
a. 230 mA = … A
b. 35 A = … mA

Slide 13 - Open vraag

Reken om:
a. 8,73 kW = …W
b. 6502 W = … kW

Slide 14 - Open vraag

Kees schakelt drie fietslampjes in parallel.
Door elk lampje gaat een stroom van 0,165 A.
Kees schrijft op: “De totale stroom in de schakeling is 0,495 A”.
Leg uit of Kees gelijk heeft.


Slide 15 - Open vraag

In de afbeelding hiernaast zien we drie lampjes. Door elk lampje loopt 0,075 A. Bereken hoe groot de totale stroomsterkte is voor deze schakeling.

Slide 16 - Open vraag


In de figuur hiernaast zie je hoe een lamp op het lichtnet is aangesloten. Noem van de drie draden welke ze zijn!
a. draad 1 = . . . .b. draad 2 = . . . c draad 3 = . . . .

Slide 17 - Open vraag

Voor fornuizen wordt ook wel “krachtstroom” gebruikt. Krachtstroom werkt met een spanning van 400 V in plaats van 230 V. Bereken het vermogen van zo’n fornuis als een stroom van 15,3 A er doorheen gaat.



Slide 18 - Open vraag

Rick heeft een elektrische fornuis met vier kookplaten. Twee platen hebben een vermogen van 2000 W, één plaat heeft een vermogen van 1450 W en de laatste een vermogen van 875 W.
Bereken het totaal Vermogen van het fornuis.

Slide 19 - Open vraag

Bij Rick in huis wordt elektrisch gekookt.
Op een avond kookt hij soep voor 25 min op de kookplaat met een vermogen van 875 W.
Bereken hoeveel elektrische energie de kookplaat in deze 25 minuten heeft gebruikt.

Slide 20 - Open vraag

Een middenklasse elektrische auto (bijvoorbeeld de Kia e-Niro) verbruikt zo'n 17 kWh per 100 kilometer. Op een bepaalde dag wordt er 230 km gereden.
Bereken hoeveel er voor de elektrische energie betalen is.
Neem als prijs € 0,25 per kWh.

Slide 21 - Open vraag

Het totale vermogen op een groep van een huisinstallatie (230 V) is 3650 W.
De groep is beveiligd door een zekering van 16 A.
Laat met een berekening zien of de zekering gaat smelten of niet.

Slide 22 - Open vraag

Chris en Melanie zeggen allebei iets over zekeringen
Chris zegt: “Een zekering voorkomt brand”.
Melanie zegt: “Een zekering voorkomt kortsluiting”.
Leg uit wie er gelijk heeft!

Slide 23 - Open vraag

Carla laat de buitenlamp branden als ze op vakantie gaat. Alle andere elektrische apparaten zet ze uit. Als ze na 3 weken weer thuiskomt, geeft de kWh-meter aan dat de lamp 12,6 kWh elektrische energie heeft gebruikt.
Bereken het vermogen van de lamp.

Slide 24 - Open vraag


Leg uit wat er met “dubbele isolatie” wordt bedoeld.

Slide 25 - Open vraag

Heb je nog vragen of opmerkingen over je toets?

Slide 26 - Open vraag