cross

Les 5.2 + 5.3

 Today

  • Look at the planner (week 7)



  • Quizlet about vocabulary A, B, C, D
  • Read stone 13 & 14
  • Check homework exercises
    
  • Work on homework exercises
  • Explain grammar 14 & 15
    
  • Grades book test
    
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 14 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

 Today

  • Look at the planner (week 7)



  • Quizlet about vocabulary A, B, C, D
  • Read stone 13 & 14
  • Check homework exercises
    
  • Work on homework exercises
  • Explain grammar 14 & 15
    
  • Grades book test
    

Slide 1 - Tekstslide

Planner
Green = homework for today
Yellow = today in class
Orange = homework next class

Slide 2 - Tekstslide

Check homework 
Exercise 5, 6, 7
WB page 8-9

Slide 3 - Tekstslide

Stone 13 & 14
Textbook page 76
Reader page 152
13: Talking about living situations
14: Giving your opinion
  • Read along in textbook/reader
  • Any questions?

Slide 4 - Tekstslide

Please take
your notebook in
front of you

Slide 5 - Tekstslide

Negations with have (got)
Watch the video + make notes

Slide 6 - Tekstslide

Tag questions
In het Nederlands: aangeplakte vragen




Jij houdt van chocolade, toch?




Het is mooi weer, he?




Als je wil weten of iemand er net zo over denkt als jij, kun je een tag questions achter je zin plakken.




Slide 7 - Tekstslide

Tag questions
Stap 1: Herhaal het werkwoord




Als er een vorm van to be, have got of een hulpwerkwoord (can, could, should, will, would, must, shall) in de zin staat.
This is easy, isn't it?
Jack has got a tidy room, hasn't he?
You can walk home, can't you?

Slide 8 - Tekstslide

Tag questions
Stap 1: Herhaal het werkwoord




Bij alle andere hoofdwerkwoorden, gebruik je
do/don't of does/doesn't
Roy lives with his mom, doesn't he?
Peter and John play football, don't they?

Slide 9 - Tekstslide

Tag questions
Stap 2: Maak het werkwoord ontkennend (-) of bevestigend (+)




Als de zin bevestigend (+) is, is de tag question ontkennend (-)
Robbie is fantastic, isn't he?
Als de zin ontkennend (-) is, is de tag question bevestigend (+)
Your aunt and uncle live on a farm, don't they?
You haven't got a cat, have you?
Your brothers don't have any chores, do they?

Slide 10 - Tekstslide

Tag questions
Stap 3: Zet het persoonlijk voornaamwoord erachter




Afgeleid van het onderwerp: I, you, he, she, it, we, they
The house looks great, doesn't it?
Jill and Tess have got a tidy room, haven't they?
Katie is happy, isn't she?

Slide 11 - Tekstslide

Tag questions
Stap 1: Herhaal het werkwoord




Stap 2: Maak het werkwoord ontkennend (-) of bevestigend (+)




Stap 3: Zet het persoonlijk voornaamwoord erachter




Slide 12 - Tekstslide

          Quizizz
Grammar 14 & 15


Slide 13 - Tekstslide

Work on homework
Done?


    • Study vocabulary stone 13 & 14 (Quizlet)

    • Practice for The Big Challenge (Game Zone)


    • Work on a different subject



    Do: Exercise 14, 15, 16, 17 (WB page 13-15)
    Do: Exercise 8, 9, 10, 11, 12 (WB page 10-12)

    Slide 14 - Tekstslide