1MHV 3.4 The Alphabet & my vs. mine

Welcome!
Get your reading books out and start with the 5 minutes of reading!
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Welcome!
Get your reading books out and start with the 5 minutes of reading!

Slide 1 - Tekstslide

Today's Lesson




Chapter 3 - Money
  • 5 minutes of reading
  • GR: The Alphabet
  • GR: my vs. mine
  • work on exercises

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

The Alphabet Game
Sit together play the game with a classmate. 

Think of a name (for example someone famous) and write it down. Make sure that your classmate doesn't see it! Spell the name for your classmate, slowly and clearly.

Can your classmate guess the name?

Take turns!
timer
5:00

Slide 4 - Tekstslide

Any questions?
Next topic!

Slide 5 - Tekstslide

Bezittelijke
voornaamwoorden

Slide 6 - Woordweb

BEZIT AANGEVEN

This is my bike.

Is that your car?

That it his house.

It is her bag. 

BEZIT AANGEVEN

It is mine

Is that yours?

It is his.

It is hers.

Slide 7 - Tekstslide

My book- Mijn boek
Your book- jouw boek
His book - zijn boek
Her book- haar boek
Our book- ons boek
Your book- jullie boek
Their book- hun boek
Mine- van mij
Yours- van jou
His- van hem
Hers- van haar
Ours- van ons
Yours- van jullie
Theirs- van hen

Slide 8 - Tekstslide

Bezittelijke voornaamwoorden

Gebruik: om aan te geven van wie iets is.

Dit kun je op twee manieren doen.

Bij elke persoon kun je twee manieren gebruiken.


This is my Ipad.
This Ipad is mine.

Slide 9 - Tekstslide

Bezittelijke voornaamwoorden
Bezittelijke voornaamwoorden geven aan dat iets van iemand is.
This is my computer. You are sitting at your desk.
OF: The computer is mine. The desk is yours.

Slide 10 - Tekstslide

Bezittelijke voornaamwoord
(bijvoegelijk)

My (mijn)
Your (jouw)
His/Her/Its (zijn/haar/het)
Our (onze)
Your (jouw)
Their (hun)
Bezittelijke voornaamwoord
(zelfstandig)

Mine (van mij)
Yours (van jou)
His/Hers (van hem/van haar)
Ours (van ons)
Yours (van jullie)
Theirs (van hen)

Slide 11 - Tekstslide

Voorbeeld:
1. This is my bag - This bag is mine.
(Dit is mijn tas - Deze tas is van mij)

2. That is your car - that car is yours.
(Dat is jouw auto - Die auto is van jou)

3. Those are her shoes - those shoes are hers. 
(Dat zijn haar schoenen - Deze schoenen zijn van haar). 

Slide 12 - Tekstslide

..... favourite subject is French.
A
my
B
mine

Slide 13 - Quizvraag

............ pencil is broken. Can I borrow ............?
A
mine - yours
B
your - mine
C
my - yours
D
yours - mine

Slide 14 - Quizvraag

Tess has lost ............ book, so I gave her ............
A
my - mine
B
her - mine
C
hers - mine
D
hers - my

Slide 15 - Quizvraag

...... sister is the best!
A
Mai
B
Mine
C
My
D
Mijn

Slide 16 - Quizvraag

............ computer is a Mac, but ............ is a PC.
A
your - mine
B
yours - mine
C
your - my
D
yours - my

Slide 17 - Quizvraag

That is ... friend Tom.
A
I
B
me
C
my
D
mine

Slide 18 - Quizvraag

Any questions?
Next topic!

Slide 19 - Tekstslide

1MH2 Homework:
Monday 3rd of February

Lesson 3.4
exercises 31, 33, 34A
FINISHED?
Work on the selftest or worksheets

Slide 20 - Tekstslide