Cijferend vermenigvuldigen: uitleg en interactieve oefeningen

Cijferend vermenigvuldigen

1 / 31
volgende
Slide 1: Slide
newEditorWiskundeLager onderwijsLeerjaar 1-6

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Cijferend vermenigvuldigen

Open met de centrale vraag: hoe kan je grote vermenigvuldigingen netjes en juist uitrekenen? Verwijs naar situaties uit de klas, zoals prijzen, aantallen of rijen voorwerpen.

Wat leer ik vandaag?

Ik kan cijferend vermenigvuldigen stap voor stap correct uitrekenen en mijn antwoord controleren.

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden passen voor jou bij vermenigvuldigen?

Gebruik deze woordwolk om voorkennis te activeren. Verwachte woorden: tafels, groepjes, keer, rijen, sprongen, tientallen, eenheden. Pik enkele inzendingen eruit en maak de brug naar cijferend vermenigvuldigen.

Korte introductie

In deze interactieve wiskundeles over cijferend vermenigvuldigen leren leerlingen cijferend vermenigvuldigen stap voor stap begrijpen en toepassen. De les bevat duidelijke uitleg, visuele voorbeelden, gerichte oefeningen en formatieve vragen. Direct inzetbaar in LessonUp voor het Vlaamse lager onderwijs.

Deze tekst is letterlijk overgenomen zoals gevraagd. Houd deze slide kort als openingskader van de les.

Van groepjes naar keerrekenen

  • Vermenigvuldigen betekent gelijke groepjes nemen

  • `4 × 6` is: 4 groepjes van 6

  • Je kan dat zien als rijen, sprongen of vakjes

  • Grote producten bouwen verder op datzelfde idee

Leg de link tussen concreet inzicht en de cijferende strategie. Leerlingen moeten voelen dat de methode niet uit het niets komt.

Wat weet je al?

  • Tafels van vermenigvuldiging blijven belangrijk

  • Plaatswaarde helpt: een getal bestaat uit tientallen en eenheden

  • Voorbeeld: `23 = 2 tientallen en 3 eenheden`

  • Die opbouw gebruiken we straks in de bewerking

Benadruk dat fouten bij cijferen vaak komen door zwakke tafelkennis of onduidelijke plaatswaarde.

Plaatswaarde zichtbaar maken

`23 × 4` betekent:

  • `20 × 4`

  • `3 × 4`


Daarna tel je beide delen samen.

Gebruik eventueel MAB-materiaal of een tekening op het bord: 2 staafjes van tien en 3 losse blokjes, vier keer genomen.

Eerst splitsen, dan samenvoegen

Bij `23 × 4` kan je denken:


`20 × 4 = 80`

`3 × 4 = 12`

`80 + 12 = 92`


Zo zie je waarom het antwoord `92` is.

Dit is de brug van visueel inzicht naar procedure. Maak expliciet dat cijferend vermenigvuldigen hetzelfde doet, maar korter noteert.

Wat betekent 23 × 4 volgens de plaatswaarde?

A

20×4 en 3×4

B

2×4 en 3×4

C

23×2 en 23×2

D

20+4 en 3+4

Controleert of leerlingen de brug maken van het getal 23 naar 2 tientallen en 3 eenheden. Veelvoorkomende fout: 23 lezen als 2 en 3.

Vul de denkstappen aan

Bij 23 × 4 splits je 23 in 20 en 3. Je rekent 20 × 4 = 80 en 3 × 4 = 12. Daarna tel je alles samen en krijg je 92.

20
3
92
90
2
30
84

Laat leerlingen de betekenis van splitsen en samenvoegen verwoorden. Alle drie de invulwoorden zijn dragende begrippen uit de vorige slides.

De opstelling van de bewerking

Schrijf de getallen onder elkaar volgens plaatswaarde.


Voorbeeld:

` 23`

`× 4`

`----`


Eenheden staan onder eenheden, tientallen onder tientallen.

Toon rustig hoe netjes noteren helpt om vergissingen te voorkomen. Gebruik Belgisch-Nederlandse term 'onder elkaar'.

Stap 1: begin bij de eenheden

Voorbeeld: `23 × 4`


  • Reken eerst `4 × 3 = 12`

  • Schrijf `2` bij de eenheden

  • Onthoud `1` tiental


Je werkt van rechts naar links.

Gebruik consequent dezelfde volgorde. Zeg niet 'van links beginnen', want dat veroorzaakt veel procedurefouten.

Stap 2: vermenigvuldig de tientallen

Ga verder met de tientallen:


  • `4 × 2 tientallen = 8 tientallen`

  • Tel het onthouden tiental erbij

  • `8 tientallen + 1 tiental = 9 tientallen`


Uitkomst: `92`

Verwoord het niet alleen als cijfers, maar ook als tientallen. Dat houdt de betekenis van de bewerking zichtbaar.

Een volledig uitgewerkt voorbeeld

` 34`

`× 3`

`----`

` 102`


  • `3 × 4 = 12`, schrijf 2 en onthoud 1

  • `3 × 3 tientallen = 9 tientallen`

  • `9 tientallen + 1 tiental = 10 tientallen`

Benadruk dat 10 tientallen gelijk zijn aan 100. Dat verklaart waarom een antwoord drie cijfers kan hebben.

Waar begin je bij cijferend vermenigvuldigen?

A

Bij de tientallen

B

Bij de eenheden

C

In het midden

D

Bij de somlijn

Sluit aan bij de instructie 'van rechts naar links'. Distractor 'bij de tientallen' test de vaak gemaakte procedurefout.

Waarom is 34 × 3 gelijk aan 102?

Bespreek dat bij 34 × 3 eerst 3 × 4 = 12 wordt gedaan: 2 eenheden noteren en 1 tiental onthouden. Daarna 3 × 3 tientallen = 9 tientallen, plus 1 tiental = 10 tientallen, dus 102.

Als het tweede getal twee cijfers heeft

Soms vermenigvuldig je met tientallen én eenheden.


Voorbeeld: `23 × 14`

  • eerst maal `4`

  • daarna maal `10`

  • dan tel je de tussenuitkomsten samen

Zorg dat leerlingen eerst zeker zijn met ééncijferige vermenigvuldiger. Deze slide opent de uitbreiding naar twee cijfers.

Tussenuitkomsten noteren

Bij `23 × 14`:


`23 × 4 = 92`

`23 × 10 = 230`

`92 + 230 = 322`


De tweede rij schuift op omdat je met tientallen rekent.

Leg uit dat de nul geen trucje is, maar toont dat het om tientallen gaat. Vermijd puur mechanisch aanleren zonder betekenis.

Cijferend uitgeschreven

` 23`

`× 14`

`-----`

` 92`

` 230`

`-----`

` 322`


Elke rij stelt een deel van de vermenigvuldiging voor.

Laat leerlingen de link zien tussen de compacte opstelling en het eerdere splitsen in 4 en 10.

Je antwoord controleren

  • Maak een schatting vooraf

  • Voorbeeld: `23 × 14` ligt dicht bij `20 × 10 = 200`

  • `322` is dus mogelijk, `32` niet

  • Controleer ook met splitsen of hoofdrekenen

Controle is een vast onderdeel van de strategie, niet iets extra op het einde. Laat leerlingen eerst redelijkheid inschatten.

Veelgemaakte fouten vermijden

  • Verkeerd onder elkaar schrijven

  • Vergeten iets te onthouden

  • De tweede rij niet laten starten bij de tientallen

  • Tussenuitkomsten niet correct optellen

Werk foutpreventief: toon per fout kort hoe het wél moet. Geen nieuwe voorbeelden nodig als de tijd beperkt is.

Waarom schuift de tweede rij op bij 23 × 14?

A

Omdat je afrondt

B

Omdat je deelt

C

Omdat je met tientallen rekent

D

Omdat je herbegint

Toetst begrip van de tussenuitkomst bij vermenigvuldigen met een tweecijferig getal. Niet mechanisch, maar betekenisvol.

Vul de tussenuitkomsten aan

Bij 23 × 14 reken je eerst 23 × 4 = 92. Daarna reken je 23 × 10 = 230. De twee tussenuitkomsten tel je samen tot 322.

4
10
tussenuitkomsten
40
14
schattingen
100

Echoot exact de opbouw van de voorgaande slides: eerst de eenheden, dan de tientallen, daarna samenvoegen.

Toepassen in een herkenbare situatie

Voorbeeld uit de klas:


Een school bestelt `24` doosjes. In elk doosje zitten `13` potloden.


Dan reken je:

`24 × 13 = 312`


Er zijn dus 312 potloden nodig.

Kies een context die herkenbaar is in een Vlaamse lagere school: klasgerief, turnzakken, brooddozen of tickets.

Slim differentiëren

Nog oefenen

  • Start met een getal maal 1 cijfer

  • Gebruik kleinere getallen

  • Controleer met splitsen

  • Werk met een uitgeschreven tussenstap

Extra uitdaging

  • Werk met 2-cijferige vermenigvuldigers

  • Maak zelf een schatting vooraf

  • Vergelijk verschillende oplossingswijzen

  • Leg uit waarom je antwoord klopt

Deze slide biedt differentiatie-inhoud zonder leerlingenactiviteiten uit te schrijven. De leraar kan ermee variëren tijdens inoefenen.

Welke schatting past het best bij 24 × 13?

A

Ongeveer 30

B

Ongeveer 100

C

Ongeveer 300

D

Ongeveer 1000

Verbindt de toepassingsopdracht met controle via schatten. 24 × 13 ligt dicht bij 20 × 10 of 25 × 12, dus rond 300.

Hoe zou jij 24 × 13 uitrekenen?

Verwachte elementen: antwoord 312 potloden; mogelijke uitleg via 24 × 3 = 72 en 24 × 10 = 240, samen 312; of via cijferende opstelling. Laat sterke leerlingen ook hun schatting noemen.

Welke stap hielp jou vandaag het meest?

Reflectievraag zonder juist of fout antwoord. Laat enkele leerlingen delen welke stap hen het meest geholpen heeft: splitsen, onder elkaar schrijven, onthouden, schatten of controleren.

Wat vind jij nog moeilijk bij deze manier?

Reflectievraag zonder juist of fout antwoord. Gebruik antwoorden om de volgende les te bepalen: plaatswaarde, onthouden, tweede rij opschuiven, of controleren.

Hoe zeker voel jij je nu over cijferend vermenigvuldigen?

Deze slide heeft geen instructies

Woordenlijst

vermenigvuldigen - een getal meerdere keren even groot nemen

plaatswaarde - de waarde van een cijfer door zijn plaats in het getal

eenheden - losse elementen op de plaats van de eenheden

tientallen - groepjes van tien

tussenuitkomst - een deelantwoord dat je later nog samenvoegt

schatting - een snelle benadering om te controleren of een antwoord logisch is

cijferend vermenigvuldigen - een stap-voor-stapmanier om een vermenigvuldiging onder elkaar uit te rekenen

Deze slide heeft geen instructies