Korte herhaling...
Het Nederlands heeft 2 soorten zinnen:
1. Hoofdzin
2. Bijzin
De hoofdzin
De hoofdzin heeft altijd één werkwoord op de tweede plaats en de andere werkwoorden aan het einde.
De hoofdzin kan met inversie en zonder inversie.
Hoofdzin (zonder inversie)
Hoofdzin (met inversie)
De bijzin
De bijzin heeft altijd:
- het onderwerp op de eerste plaats
- alle werkwoorden op de laatste plaats
Hoofdzin of bijzin?
Kijk naar het voegwoord!
Gebruik je geen voegwoord?
Dan maak je altijd een hoofdzin (met of zonder inversie).
Voegwoorden voor hoofdzin
Gebruik je wel een voegwoord? Je krijgt een hoofdzin bij:
en - maar - want - dus - of
... en ik ga een nieuw boek kopen.
... maar ik wil snel examen doen.
... want de les is bijna voorbij.
... dus het is bijna vakantie.
... of we gaan naar Amsterdam.
Voegwoorden voor bijzin
Gebruik je wel een voegwoord? Je krijgt een bijzin bij alle andere voegwoorden:
dat - omdat - zodat - totdat - voordat - nadat
toen - als - terwijl - wanneer - zodra - sinds
hoewel - mits - om - indien - tenzij - alsof - of
Let op!
Dit zijn geen voegwoorden:
daarom - daardoor - daarna - daar....
dan - toch - bovendien - ook - anders
eerst - ten slotte
Je gebruikt dan dus een hoofdzin met inversie (als deze woorden op de eerste plaats staan)
Ik spreek al goed Nederlands, maar toch ...
Zij maakt altijd het huiswerk, maar ...
Mijn buurvrouw vroeg of ...
Mijn telefoon is gevallen. Daarom ...
Ik wil de opdracht klaar hebben, omdat ...
Zij koopt een nieuwe laptop, hoewel ...
Zij vindt het niet leuk, als ...
Michael kookt, terwijl ...
Eerst gaat Isa trainen, daarna ...
Hij leert Nederlands, zodat ...
Toen ..., woonde ik in Turkije.
Als ..., moet ik naar de apotheek.