In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.
Lesduur is: 45 min
Dit is niet oké
Onderdelen in deze les
Voorzetsels
Slide 1 - Tekstslide
Doel
Aan het eind van de les weet ik wat een voorzetsel is en kan ik deze benoemen in een zin.
Slide 2 - Tekstslide
Wat is een voorzetsel?
Slide 3 - Woordweb
Voorzetsels
Voorzetsels staan meestal voor een lidwoord of een voornaamwoord met een zelfstandig naamwoord. (achter die kast, naast mij, onder de boeken). Ze kunnen ook achter een zelfstandig naamwoord staan, meestal geeft het dan een richting aan. (Ik viel de sloot in, hij liep de weg op. )
Let op! Delen van scheidbare werkwoorden zijn geen vz.
Bv. opbellen. Hij belt mij op. op = geen vz
Slide 4 - Tekstslide
Eigenschappen vz
Ze geven een plaats, tijd of reden aan.
Trucje:
... de kast (achter, op, voor)
... het feest (tijdens, na, gedurende)
Slide 5 - Tekstslide
Slide 6 - Video
We kijken samen naar voetbal op de televisie
Sleep het vinkje naar het voorzetsel
Slide 7 - Sleepvraag
Zet het juiste voorzetsel in de zin.
<span style=" color: rgb(97, 23, 124); font-weight: bold">Is jouw voetbaltrainer ook zo trots </span><span style="font-weight: bold; color: rgb(248, 200, 45)">...</span><span style=" color: rgb(97, 23, 124); font-weight: bold"> zijn team?</span>