§7.4 Schoonmaakmiddelen


  • Bespreken §7.4
  • Oefen met de stof
Wat gaan we doen vandaag?
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les


  • Bespreken §7.4
  • Oefen met de stof
Wat gaan we doen vandaag?

Slide 1 - Tekstslide

Wat is een zout?
A
Een verbinding van een metaal en een niet-metaal
B
een verbinding van twee metalen
C
een verbinding van twee niet-metalen
D
een moleculaire stof die kan oplossen in water

Slide 2 - Quizvraag

Van welk verschil maak je gebruik als je zout extraheert uit een mengsel van zout en zand?
A
deeltjesgrootte
B
dichtheid
C
oplosbaarheid
D
aanhechtingsvermogen

Slide 3 - Quizvraag

Bij het indampen van een oplossing van zout in water..
A
Verdampt het zout en het water gelijkmatig
B
verdampt enkel het water en blijft het zout achter
C
Verdampt enkel het zout
D
wordt het zout gescheiden

Slide 4 - Quizvraag

Zouten zijn altijd ______ bij kamertemperatuur.

Wat moet op de lege plek ingevuld worden?
A
vloeibaar
B
opgelost
C
gasvormig
D
vast

Slide 5 - Quizvraag

Wat moet op de open plekken worden ingevuld?
chroom(III)nitraat
Cr(NO3)3
Zouten bestaan altijd uit minimaal 1 postief geladen ion en 1 negatief geladen ion.
Een zoutformule of ionverhoudingsformule is altijd neutraal opgeschreven. Dat wil zeggen dat er evenveel postieve ladingen zijn als negatieve ladingen.
In een zoutnaam wordt de lading van het positieve metaal-ion tussen haakjes gezet met Romijnse telling. Dit hoeft alleen als er meerdere iontypes van zijn. Er bestaat bijvoorbeeld croom(III) en crhoom(VI).
3+ lading
index
metaal ion
1- lading
coëfficiënt
samengesteld ion
molecuul

Slide 6 - Sleepvraag

Beschrijf hoe je bariumcarbonaat kunt maken uit oplossingen van andere zouten.
A
Bariumchloride en calciumcarbonaat
B
bariumchloride en natriumcarbonaat
C
Zilverchoride en natriumcarbonaat
D
Natriumchloride en kaliumcarbonaat

Slide 7 - Quizvraag

Na deze les kun je:

    • voorbeelden benoemen van cosmetische middelen.
    • de werking van zeep/emulgator uitleggen.
    • zure en basische reinigingsmiddelen benoemen.
    • toepassingen van zure en basische reinigingsmiddelen benoemen.
    • kenmerken benoemen van een aantal cosmetische producten met reinigende werking.
    Wat weet je na deze les

    Slide 8 - Tekstslide

    Natrium stearaat wordt veel gebruikt als zeep (zie ook §7.3)

    NaC17H35COO (s) → Na+ (aq) + C17H36COO- (aq)

    Stearaat is een emulgator een stof die kan mengen
    met water en met vet
    Zeep als emulgator

    Slide 9 - Tekstslide

    Vetvlekken in kleding verwijderen
    Hydrofobe deel van het zeep steekt in de olie/vet
    Hydrofiele deel van het zeep steekt in water
    De werking van zeep

    Slide 10 - Tekstslide

    Synthetische zepen veroorzaken geen kalkzeep en lossen beter op dan oude zepen.

    Schoonmaakmiddelen
    Altijd mengsel.
    Afhankelijk van de werking een andere samenstelling
    • Ontvetten: basisch
    • Ontkalken: zuur
    • Ontsmetten: bleek of alcohol
    • Schuren: kalk
    What else?

    Slide 11 - Tekstslide

    Hoe goed begrijp je deze stof?
    😒🙁😐🙂😃

    Slide 12 - Poll

    Stel 1 vraag over een onderdeel dat je niet helemaal hebt begrepen.

    Slide 13 - Open vraag

    4.4 Rekenen aan reacties - basis
    Oefenen



    Slide 14 - Tekstslide

    Slide 15 - Tekstslide