Rekentaal

Rekenen 
Rekentaal & sommen

Na deze les weten jullie dat er verschillende woorden en termen worden gebruikt als rekentaal.
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
RekenenMBOISKStudiejaar 1

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Rekenen 
Rekentaal & sommen

Na deze les weten jullie dat er verschillende woorden en termen worden gebruikt als rekentaal.

Slide 1 - Tekstslide

Plus

Slide 2 - Tekstslide

Hoeveel andere woorden ken jij voor plus +

Slide 3 - Woordweb

Andere woorden voor plus, had je deze ook? 
  • erbij 
  • samen
  • meer
  • optellen
  • bij elkaar 
  • vermeerderen
  • Stijgen

Slide 4 - Tekstslide

Bedenk zelf een plussom en reken hem uit.
Kies jij een makkelijke of moeilijke plussom?
timer
1:00

Slide 5 - Open vraag

Ik heb 36 taartjes. Jij hebt er 12. Hoeveel is dat samen?

Slide 6 - Open vraag

Min
-

Slide 7 - Tekstslide

Mevrouw Boom heeft 6 boeken. Mevrouw Vogel heeft er 22. Hoeveel boeken zijn dat bij elkaar?

Slide 8 - Open vraag

Hoeveel andere woorden ken jij voor min -

Slide 9 - Woordweb

Andere woorden voor min, had je deze?
  • eraf
  • minder
  • wegnemen
  • van elkaar af
  • verminderen
  • dalen


Slide 10 - Tekstslide

Bedenk zelf een minsom en reken hem uit.
Kies jij een makkelijke of moeilijke minsom?
timer
1:00

Slide 11 - Open vraag

Judith heeft 90 spelletjes. Barbie heeft er 25. Hoeveel zijn dat er minder?

Slide 12 - Open vraag

Keer
X

Slide 13 - Tekstslide

Hoeveel andere woorden ken jij voor X?

Slide 14 - Woordweb

Andere woorden voor keer X, had je deze?
  • keer
  • dubbel
  • vermenigvuldig
  • veelvoud
  • verdubbeling
  • maal


Slide 15 - Tekstslide

Bedenk zelf een keersom en reken hem uit.
Maak je een moeilijke of makkelijke keersom?
timer
1:00

Slide 16 - Open vraag

Hoeveel keer 3 maakt 9 blikjes?

Slide 17 - Open vraag

Delen
:

Slide 18 - Tekstslide

Hoeveel andere woorden ken jij voor delen :

Slide 19 - Woordweb

Andere woorden voor delen, had je deze?
  • gedeeld
  • deling
  • ieder
  • verdeeld
  • groepjes
  • breuk
  • uitdelen


Slide 20 - Tekstslide

Bedenk zelf een deelsom en reken hem uit.
Maak je een moeilijke of makkelijke deelsom?
timer
1:00

Slide 21 - Open vraag

Je hebt 9 blikjes en moet dat verdelen over 3 mensen, hoeveel krijgt ieder?

Slide 22 - Open vraag

Meer +

Minder -

Evenveel =

Slide 23 - Tekstslide

568+12=
A
580
B
556
C
590
D
578

Slide 24 - Quizvraag

316-12=
A
300
B
328
C
314
D
304

Slide 25 - Quizvraag

5x2=
A
7
B
3
C
10
D
25

Slide 26 - Quizvraag

10:2=
A
12
B
5
C
8
D
20

Slide 27 - Quizvraag

van groot naar klein
264
4813
8316
4248

Slide 28 - Sleepvraag

van klein naar groot
2.265
622
8.852
6.512

Slide 29 - Sleepvraag

9 is minder dan 5
A
waar
B
niet waar
C
<
D
>

Slide 30 - Quizvraag

85 is .... dan 19
A
meer
B
minder
C
<
D
>

Slide 31 - Quizvraag

100 is evenveel als 100
A
waar
B
niet waar
C
=
D
>

Slide 32 - Quizvraag

6782=6872
A
Waar
B
Niet waar

Slide 33 - Quizvraag

300 is meer dan 600
A
waar
B
niet waar
C
<
D
>

Slide 34 - Quizvraag

15<28
A
Waar
B
Niet waar
C
Groter dan
D
Kleiner dan

Slide 35 - Quizvraag

200>100
A
Waar
B
Niet waar
C
Kleiner dan
D
Groter dan

Slide 36 - Quizvraag

560>5600
A
Waar
B
Niet waar
C
Gelijk aan
D
Groter dan

Slide 37 - Quizvraag

20 is .... dan 30
A
meer
B
minder
C
<
D
>

Slide 38 - Quizvraag

5278=5278
A
Waar
B
Niet waar
C
<
D
>

Slide 39 - Quizvraag

Hoe vond je de les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 40 - Poll