Arbeid en vermogen (Natuurkunde vwo), les 2: Examentraining

Paard trekt een schuit, Kennet and Avon Canal (publiek domein)

EXAMENSTOF · C2 · ARBEID EN VERMOGEN

Examentraining

Arbeid en vermogen: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNatuurkundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met 8 rekenvragen, waarvan 3 open: arbeid onder een hoek, (F,s)-diagrammen aflezen, vermogen en de arbeid-energiestelling. Twee vragen met een diagram.

Onderdelen in deze les

Paard trekt een schuit, Kennet and Avon Canal (publiek domein)

EXAMENSTOF · C2 · ARBEID EN VERMOGEN

Examentraining

Arbeid en vermogen: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Wikimedia Commons, publiek domein

EXAMENSTOF · C2 · ARBEID EN VERMOGEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan arbeid, vermogen en kinetische energie berekenen met hoeken, diagrammen en de arbeid-energiestelling.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · C2 · ARBEID EN VERMOGEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat is gegeven, wat wordt gevraagd en welke krachten werken er?

  • 2. Kies: W = F·s·cos α, oppervlakte onder (F,s), P = W/t, P = F·v of ΣW = ΔEk.

  • 3. Reken om: naar m, kg, s, N, J en m/s en let op de hoek α en het teken.

  • 4. Reken: vul in, geef de eenheid en het juiste aantal significante cijfers.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · C2 · ARBEID EN VERMOGEN

Vraagtype 1: arbeid onder een hoek

  • W = F·s·cos α, met α de hoek tussen de kracht en de verplaatsing.

  • Zwaartekracht op een helling omhoog: Wz = −m·g·s·sin β.

  • Let op het teken en zet de rekenmachine op graden.

Syllabus C2.1: arbeid met kracht, verplaatsing en hoek.

F = 40 N, s = 5,0 m, W = −1,0·10² J. Hoek α?

Uitwerking: W = F·s·cos α, dus cos α = W/(F·s) = −1,0·10²/(40 × 5,0) = −0,50, α = 120°. Negatieve arbeid, dus α > 90°. Verwachte fout: het minteken weglaten (α = 60°) of sin gebruiken. Syllabus C2.1 en C2.2.

Een fietser (85 kg met fiets) rijdt 200 m een helling van 4,0° op. Bereken de arbeid van de zwaartekracht.

A

−1,2·10⁴ J

B

+1,2·10⁴ J

C

−1,7·10⁵ J

D

0 J

Wz = −m·g·s·sin β = −85 × 9,81 × 200 × sin 4,0° = −166770 × 0,06976 = −1,2·10⁴ J. Afleiders: het teken fout, sin vergeten (−1,7·10⁵ J) en 0 J (verwarring met een horizontale verplaatsing). Syllabus C2.1 en C1.3.

EXAMENSTOF · C2 · ARBEID EN VERMOGEN

Vraagtype 2: arbeid uit een (F,s)-diagram

  • De arbeid is de oppervlakte tussen de grafiek en de s-as, in J (N·m).

  • Boven de s-as telt positief, eronder negatief.

  • Lees de waarden zelf af en let op de schaal van de assen.

Syllabus C2.1: de arbeid bepalen uit een kracht-verplaatsingsdiagram; A12.

Een kracht op een kar neemt af volgens het diagram. Bepaal de arbeid tussen s = 0 en s = 4,0 m.

A

4,0·10² J

B

80 J

C

2,4·10² J

D

60 J

Trapezium: W = ½ × (100 + 20) × 4,0 = 240 J = 2,4·10² J. Afleiders: rechthoek met 100 N (4,0·10²), rechthoek met 20 N (80 J) en alleen de gemiddelde kracht (60 J, zonder s). Syllabus C2.1 en A12. Image credit: Eigen figuur

De kracht op een kar verandert zoals in het diagram. Bepaal de totale arbeid van deze kracht over 5,0 m.

A

2,1·10² J

B

90 J

C

1,5·10² J

D

−60 J

0 tot 3,0 m: 50 × 3,0 = +150 J. 3,0 tot 5,0 m: −30 × 2,0 = −60 J. Totaal 150 − 60 = 90 J. Afleiders: de oppervlakten absoluut opgeteld (2,1·10²), alleen het positieve deel (1,5·10²) en alleen het negatieve deel (−60 J). Syllabus C2.1 en A12. Image credit: Eigen figuur

EXAMENSTOF · C2 · ARBEID EN VERMOGEN

Vraagtype 3: vermogen

  • P = W/t = E/t, in W met t in s.

  • Bij constante snelheid is P = F·v, met v in m/s.

  • Reken km/h, minuten en kW eerst om.

Syllabus C2.1 en A15: vermogen en eenheden herleiden.

Een fietser rijdt 36 km/h met constante snelheid tegen een tegenwerkende kracht van 18 N. Bereken de energie die hij in 5,0 min levert.

A

1,9·10⁵ J

B

9,0·10² J

C

1,8·10² J

D

5,4·10⁴ J

v = 36/3,6 = 10 m/s; F = Fw = 18 N; P = F·v = 180 W; E = P·t = 180 × 300 = 5,4·10⁴ J. Afleiders: km/h niet omgerekend (1,9·10⁵), minuten niet omgerekend (9,0·10²) en alleen het vermogen als energie (1,8·10²). Syllabus C2.1 en A15.

Sprinter 70 kg: 0 tot 9,0 m/s in 3,0 s. Pgem?

Uitwerking (wrijving verwaarloosd): ΔEk = ½ × 70 × 9,0² = 2835 J; Pgem = W/t = 2835/3,0 = 945 W = 9,5·10² W. De spieren leveren de arbeid die als Ek terugkomt. Verwachte fout: P = F·v met v = 9,0 m/s, of het kwadraat vergeten. Syllabus C2.1 en C2.2, context de bewegende mens.

EXAMENSTOF · C2 · ARBEID EN VERMOGEN

Vraagtype 4: arbeid-energiestelling

  • ΣW = ΔEk = ½·m·v₂² − ½·m·v₁².

  • Tel de arbeid van alle krachten, met teken.

  • Reken km/h om naar m/s voordat je kwadrateert.

Syllabus C2.2: de relatie tussen arbeid en kinetische energie toepassen.

Een auto van 1,4·10³ kg trekt op van 36 naar 72 km/h. De wrijvingsarbeid is −2,1·10⁴ J. Bereken de arbeid van de motorkracht.

A

1,9·10⁵ J

B

2,1·10⁵ J

C

2,7·10⁶ J

D

2,3·10⁵ J

v₁ = 10 m/s, v₂ = 20 m/s: ΔEk = ½ × 1,4·10³ × (20² − 10²) = 2,1·10⁵ J. ΣW = Wmotor + Wwr, dus Wmotor = 2,1·10⁵ + 2,1·10⁴ = 2,3·10⁵ J. Afleiders: min in plaats van plus (1,9·10⁵), wrijving vergeten (2,1·10⁵) en km/h niet omgerekend (2,7·10⁶). Syllabus C2.2 en A15.

Skeeler 6,0 m/s, helling 5,0° op. Hoe ver?

Uitwerking (geen wrijving, niet afzetten): ΣW = ΔEk, alleen de zwaartekracht verricht arbeid: −m·g·s·sin β = 0 − ½·m·v². De massa valt weg: s = v²/(2·g·sin β) = 36/(2 × 9,81 × 0,0872) = 21 m. Verwachte fout: de hoogte (1,8 m) als antwoord geven, of sin β vergeten. Syllabus C2.2.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Arbeid onder een hoek

2

Arbeid uit een (F,s)-diagram

3

Vermogen

4

Arbeid-energiestelling

Bespreek het meest gekozen type nog een keer met een rekenvoorbeeld.

EXAMENSTOF · C2 · ARBEID EN VERMOGEN

Tips voor op het examen

  • Schrijf gegeven en gevraagd op en reken alles om naar SI-eenheden, ook km/h en minuten.

  • Kies de hoek α tussen kracht en verplaatsing, niet de hoek met de grond.

  • Onder de s-as in een (F,s)-diagram telt de oppervlakte negatief.

  • Geef het antwoord met eenheid en evenveel significante cijfers als het gegeven met de minste.

Deze slide heeft geen instructies