Lancering van een spaceshuttle (foto: NASA, publiek domein)
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Examentraining
Beweging en afgeleiden: zo pak je examenvragen aan
Lancering van een spaceshuttle (foto: NASA, publiek domein)
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Examentraining
Beweging en afgeleiden: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: NASA / Wikimedia Commons, publiek domein
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Wat ga je kunnen?
Ik kan met afgeleiden, raaklijnen en oppervlakte snelheid, versnelling en verplaatsing bepalen en rekenen aan inhalen.
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: schrijf gegeven en gevraagd op, in SI-eenheden.
2. Kijk: wat staat op de assen, x of v, en wat is de schaal?
3. Kies: raaklijn (helling), oppervlakte, differentiëren of s = v·t.
4. Reken: vul in, let op significante cijfers en schrijf de eenheid op.
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Differentiëren van x(t)
x = c·t² geeft v = 2·c·t; x = c·t³ geeft v = 3·c·t².
Differentieer v(t) nog een keer voor a(t).
Vul pas daarna het moment in; v in m/s, a in m/s².
Deze slide heeft geen instructies
Voor een kar geldt x = 0,10·t³ (x in m, t in s). Bereken v op t = 4,0 s.
1,2 m/s
4,8 m/s
1,6 m/s
19 m/s
Syllabus C1.2 en A12: v = dx/dt = 0,30·t². Op t = 4,0 s: 0,30·16 = 4,8 m/s. Fouten: exponent niet laten zakken (0,30·4,0 = 1,2), x/t (6,4/4,0 = 1,6), 0,30·t³ (19).
Een bal rolt volgens x = 18·t - 2,0·t² (x in m, t in s). Bepaal a.
-2,0 m/s²
18 m/s²
-4,0 m/s
-4,0 m/s²
Syllabus C1.2 en A12: v = dx/dt = 18 - 4,0·t; a = dv/dt = -4,0 m/s². Fouten: de factor 2 vergeten (-2,0), de beginsnelheid als a nemen (18), de eenheid m/s in plaats van m/s².
Een raaklijn aan een (x,t)-kromme bij t = 6,0 s
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Een raaklijn gebruiken
Teken de raaklijn en kies twee punten ver uit elkaar op die lijn.
Helling van een (x,t)-raaklijn is v; van een (v,t)-raaklijn is a.
Een negatieve helling betekent een negatieve v of a.
Image credit: Eigen figuur
Een fietser accelereert, zie het (v,t)-diagram. Bepaal a op t = 5,0 s.
2,5 m/s²
4,0 m/s²
13 m/s²
1,5 m/s²
Syllabus C1.2: a is de helling van de raaklijn. De figuur is v = 20·(1 - e^(-t/5,0)); de raaklijn bij t = 5,0 s gaat door (0 s; 5,3 m/s) en (12 s; 23 m/s): Δv = 17,6 m/s, Δt = 12 s, a = 1,5 m/s². Fouten: v/t op het raakpunt (12,6/5,0 = 2,5), de beginhelling (20/5,0 = 4,0), de v-waarde zelf (13). Image credit: Eigen figuur
Een kar rolt een helling op en weer af. Bepaal v op t = 6,0 s met de raaklijn.
4,0 m/s
-4,0 m/s
2,0 m/s
0 m/s
Syllabus C1.2: de raaklijn gaat door (4,0 s; 20 m) en (8,0 s; 4,0 m): Δx = -16 m, Δt = 4,0 s, v = -4,0 m/s (de kar rolt terug). Controle met x = 8,0·t - t²: v = 8,0 - 2,0·6,0 = -4,0 m/s. Fouten: het teken vergeten (4,0), x/t (12/6,0 = 2,0), de snelheid in het keerpunt (0 bij t = 4,0 s). Image credit: Eigen figuur
De oppervlakte onder een (v,t)-diagram is de verplaatsing
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Oppervlakte en gemiddelde snelheid
Oppervlakte onder een (v,t)-diagram is de verplaatsing Δx.
vgem = Δx/Δt: deel de oppervlakte door de tijdsduur.
Een negatieve v geeft een negatieve bijdrage aan de verplaatsing.
Image credit: Eigen figuur
Een trein rijdt volgens het (v,t)-diagram. Bereken vgem over 1,0·10² s.
12 m/s
6,0 m/s
9,6 m/s
9,6·10² m/s
Syllabus C1.2: oppervlakte = ½·20·12 + 60·12 + ½·20·12 = 120 + 720 + 120 = 960 m. vgem = 960/100 = 9,6 m/s. Fouten: de hoogste snelheid (12), het gemiddelde van 0 en 12 (6,0), de oppervlakte zonder te delen door de tijd (9,6·10²). Image credit: Eigen figuur
Een kar rijdt eerst vooruit en dan terug. Bepaal de verplaatsing in 12 s.
12 m
54 m
24 m
-12 m
Syllabus C1.2: 0 tot 4,0 s: 6,0·4,0 = 24 m. 4,0 tot 10 s: v gaat lineair van 6,0 naar -6,0 m/s, netto 0 m (+9,0 m en -9,0 m). 10 tot 12 s: -6,0·2,0 = -12 m. Totaal 24 + 0 - 12 = 12 m. Fouten: de afgelegde weg (24 + 9 + 9 + 12 = 54), alleen het eerste stuk (24), het teken (-12). Image credit: Eigen figuur
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Eenparig: inhalen
Een auto rijdt 90 km/h, 0,50 km achter een vrachtwagen die 72 km/h rijdt.
Reken eerst beide snelheden om naar m/s.
Deel de achterstand door het snelheidsverschil; de weg van de auto is s = v·t met zijn eigen v.
Deze slide heeft geen instructies
Bereken na hoeveel tijd de auto de vrachtwagen inhaalt.
28 s
1,0·10² s
11 s
20 s
Syllabus C1.1 en A15: 90 km/h = 25 m/s, 72 km/h = 20 m/s, snelheidsverschil 5,0 m/s; t = 500/5,0 = 1,0·10² s (twee significante cijfers, 0,50 km). Fouten: 18 km/h niet omgerekend (500/18 = 28), de som van de snelheden (500/45 = 11), alleen de auto (500/25 = 20).
Bereken hoeveel meter de auto aflegt tot het inhalen.
5,0·10² m
2,0·10³ m
9,0·10³ m
2,5·10³ m
Syllabus C1.1: s = v·t = 25·1,0·10² = 2,5·10³ m. Controle: de vrachtwagen rijdt 20·100 = 2,0·10³ m, plus de achterstand 500 m is ook 2,5·10³ m. Fouten: alleen de achterstand (500), de weg van de vrachtwagen (2,0·10³), km/h niet omgerekend (90·100 = 9,0·10³).
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Differentiëren van x(t)
Een raaklijn gebruiken
Oppervlakte en vgem
Rekenen aan inhalen
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Tips voor op het examen
Schrijf bij elke raaklijn de twee punten op die je gebruikt, met eenheden.
Controleer elke uitkomst op eenheid: m/s voor v, m/s² voor a, m voor Δx.
Differentieer eerst en vul daarna pas het moment in.
Geef het antwoord met evenveel significante cijfers als het minst nauwkeurige gegeven.
Deze slide heeft geen instructies