Luister naar de docent. Praat samen.Bespreek met de leerlingen hoe je je kunt voorstellen aan iemand die je niet kent. Wat vertel je over jezelf
(naam, leeftijd, waar je vandaan komt, waar je woont) en welke vragen stel je aan de ander?
Leg de leerlingen uit dat ze zich gaan zich voorstellen aan iemand die ze niet kennen, in een vertrouwde
omgeving. Bijvoorbeeld aan leerlingen uit een andere klas of van een ander schooldeel. Bespreek: Wat gaan
de leerlingen zeggen? Oefen met de leerlingen wat ze kunnen zeggen. Welke woorden en zinnen kunnen ze
gebruiken? Laat ze deze noteren bij Stap 1. Bijvoorbeeld:
• He, hallo! Hoe heet jij?
• Hoi. Wat is je naam?
• Hoi. Ik ben .... En jij?
Variatie
Laat leerlingen een kennismakingsgesprekje met elkaar voeren alsof ze elkaar niet kennen.
Stap 1. Taal?
Laat de leerlingen de woorden en zinnen die ze willen onthouden hier opschrijven.
Stap 2. en 3. Hoe? Nodig?
Laat leerlingen bedenken hoe ze het gaan aanpakken en wat ze nodig hebben en laat ze dit opschrijven of
aanvinken in het formulier. Wanneer gaan ze de opdracht doen en met wie? Moeten er praktische zaken
geregeld worden? Willen ze bijvoorbeeld tekeningen of foto’s ter steun meenemen? Verdeel de leerlingen in
groepjes van drie. Verdeel de Alfa A-leerlingen onder de Alfa B- en C-leerlingen. Bepaal een tijd. Bespreek
en laat zo veel mogelijk noteren.
Stap 4. Doen!
Laat hier aantekeningen maken voor zichzelf voor wat ze gaan doen, of waar ze op moeten letten (duidelijk
praten, niet één maar drie vragen stellen, etc., als geheugensteun). Controleer of bij elke leerling duidelijk is wat hij/zij straks moet doen: laat elke leerling vertellen waar hij naartoe gaat en welke vragen hij daar gaat stellen.
Variatie
Vraag eerst enkele gevorderde leerlingen dit klassikaal voor te doen en laat de leerlingen daarna in tweetallen
nog eens oefenen.