Ontdek de tegenwoordige tijd in het Engels:
de present simple!
Ontdek de tegenwoordige tijd in het Engels:
de present simple!
Wat weet jij al over de present simple in het Engels?
Leerdoel van deze les:
Je kunt/kent:
zelf Engelse zinnen maken in de present simple (tegenwoordige tijd)
zeggen wanneer je deze tijd gebruikt
werkwoorden correct schrijven in bevestigende (gewone) zinnen
Text
Wat weet je al?
Vertaal deze drie zinnen van het Nederlands naar het Engels:
1. Ik speel voetbal.
2. Zij drinkt thee.
3. Wij wonen in Nederland.
Antwoorden:
1. I play football.
2. She drinks tea.
3. We live in the Netherlands.
Wanneer gebruik je de present simple?
Je gebruikt de present simple om te praten over:
gewoontes
feiten
dingen die altijd waar zijn.
Voorbeeld: Gewoontes
I go to school every day.
Voorbeeld: Feiten
The sun rises in the east.
Voorbeeld: Altijd waar
Water boils at 100 degrees Celsius.
Vervoegen van werkwoorden
Voeg -s toe aan het werkwoord. Voorbeeld: She walks. He plays.
Gebruik de stam van het werkwoord. Voorbeeld: They walk. I play.
Meervoud & I/you/we/they
Enkelvoud & he/she/it
Quiz: weet jij het nog?
Doe mee met de quiz in LessonUp. 1. Vijf meerkeuzevragen 2. Vijf invulvragen. Je moet minimaal 8 goed hebben om door te gaan!
Fout? Terug naar uitleg
Heb je minder dan 8 goed? Bekijk dan de uitleg opnieuw voordat je verder oefent!
Meer oefenen
Ga naar www.englischlernen.de en maak de oefeningen over de present simple.
Resultaat invoeren
Maak een screenshot van je resultaat en stuur dit via Magister mail naar je docent.
Bevestigende zinnen
Je begint een zin met het onderwerp, dan het werkwoord. Bijvoorbeeld: I eat breakfast.
Ontkennende zinnen
Gebruik ‘do not’ (don’t) of ‘does not’ (doesn’t) plus het hele werkwoord. Bijvoorbeeld: He doesn’t like cheese.
Vragende zinnen
Begin met ‘do’ of ‘does’, dan onderwerp en werkwoord. Bijvoorbeeld: Do you play tennis? Does she like cats?
Let op bijzondere vormen
Bij werkwoorden op -y of -o: study → studies, go → goes.
He/she/it: has (niet have).
Bijzondere spelling
Have → has
Zelf oefenen
Maak vijf Engelse zinnen: 1 gewone, 1 ontkennende, 1 vragende, 2 naar keuze. Bespreek met je buur.
Wanneer gebruik je de present simple?
Herhaal: feiten en vaste situaties
Dingen die altijd waar zijn of niet veranderen.
Dagelijkse of wekelijkse activiteiten.
Herhaal: gewoontes
Reflectie
Leg in je eigen woorden uit aan je buur: Wanneer gebruik je de present simple in het Engels?
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.