Zegt iets over het zelfstandige naamwoord. Kleur, materiaal, eigenschap, enzovoort.
Staat er direct voor en soms achter een zelfstandig naamwoord; Een paarse krokodil – De krokodil is paars.
Heeft soms een verbogen vorm; Het ticket is goedkoop – het goedkope ticket
Krijgt bij stoffen en materialen'-en' erachter; Het stalen kettingslot – de katoenen sok
Slide 8 - Tekstslide
Bijvoeglijk naamwoord
Het kan zelfstandig gebruikt worden als er voldoende context is; Ik wil een blauwe, geen groene.
Heeft vaak trappen van vergelijking; Deze is laag, die is lager en die het laagst.
Zijn soms afgeleid van een werkwoord. Blaffende honden bijten niet.
Slide 9 - Tekstslide
Bijvoeglijk naamwoord
Stel een vraag om te ontdekken wat de bijvoegelijke naamwoorden zijn. Wat is/zijn + zelfstandig naamwoord?
Let op de spelling
De-woorden + e (ook bij een)
Het-woorden + e (bij een zonder e)
Stof en materialen + 'en' Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord vertelt je van welk materiaal iets gemaakt is.
<div><div>Er zijn ook <span style="font-weight: bold; color: rgb(244, 130, 33)">uitzonderingen</span>! Kijk maar eens naar de voorbeelden:</div></div><div><ul><li>de polyester trui </li><li>het plastic tasje </li></ul></div><div>Je ziet dat deze stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden niet op -en eindigen. Dat komt meestal omdat het om <span style="font-weight: bold; color: rgb(244, 130, 33)">nieuwere stoffen</span> gaat, die <span style="font-weight: bold; color: rgb(244, 130, 33)">de mens zelf heeft uitgevonden</span>. De woorden ‘plastic’ en ‘polyester’ zijn daar voorbeelden van. We geven je nog wat voorbeelden:</div><div><ul><li>het aluminium bootje </li><li>een nylon touw </li><li>de latex handschoenen</li></ul></div><div> </div><div> </div><div> </div>
Slide 10 - Tekstslide
De gele, nieuwe bank
Een gele nieuwe bank
De lieve, zachte pandabeer
Een lieve, zachte pandabeer.
De blanke, jonge man.
Een blanke, jonge man
Het houten, warme bed.
Een houten, warm bed
Het volle, kleine zwembed.
Een vol, klein zwembad.
Slide 11 - Tekstslide
een plaats
een tijd
een richting
een middel
een doel
tot
na
over
op
bij
in
te
naar
langs
in
met
om
Slide 12 - Tekstslide
zelfstandig aan 't werk
Maken opdrachten : 18, 19, 20 en 21
Blz. 187 en 188
Slide 13 - Tekstslide
boek lezen
timer
10:00
Slide 14 - Tekstslide
Lesprogramma
- Lezen (15 min)
- Bespreken opdracht 15, 16 en
17. Maken opdracht
- Starten met Spelling Blok 3
(10 min)
- Toets opgeven Grammatica Blok 3 en 4
- Maken opdrachten 17
en 18.
Slide 15 - Tekstslide
Slide 16 - Video
De pv ziet er in de tegenwoordige tijd zo uit:
enkelvoud ik-vorm ik loop, loop ik? loop jij?
enkelvoud ik-vorm+ t jij/u loopt, hij/zij/het loopt
meervoud
hele werkwoord wij lopen, jullie lopen, zij lopen
Slide 17 - Tekstslide
Persoonsvorm in de verleden tijd
EV
mv
ik -vorm + te / de
ik -vorm + ten / den
Slide 18 - Tekstslide
Slide 19 - Video
lachen - lach
de h staat in 't ex-kofschip
lach+ te - hij lachte/ wij lachten
Staat de laatste letter van de stam in
't ex-kofschip dan moet je -te of -ten gebruiken
Slide 20 - Tekstslide
Let op !
Het is nu belangrijk om eerst naar de stam te kijken
hele werkwoord verhuizen -en = stam : verhuizen
laatste letter van de stam in 't ex-kofschip?: nee