16-06 : Chapter 5 : grammar revision

TODAY
Candy test
Homework
Revision grammar Chapter 5
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

TODAY
Candy test
Homework
Revision grammar Chapter 5

Slide 1 - Tekstslide

1. cavia

2. direct, meteen

3. onlangs

4. Thuis print ik dubbelzijdig.
5. endangered

6. animal welfare

7. childhood




Slide 2 - Tekstslide

1. guinea pig

2. immediately

3. recently

4. At home, I print on both sides of the paper.
5. bedreigd(e)

6. dierenwelzijn

7. jeugd

Slide 3 - Tekstslide

HOMEWORK
Ex. 32-33 p. 123-124

Slide 4 - Tekstslide

Possessive [s] 

Slide 5 - Tekstslide

Summary
Altijd 's
Behalve bij
1. dingen
2. meervoud dat al op een <S> eindigt 

Slide 6 - Tekstslide

In het Nederlands:

Lisa's boek

Mijn ouders' boek.

De hoofdstad van Nederland.
In het Engels

Lisa's book

My parents' book.

The capital of the Netherlands.
Hey, het lijkt dus best op elkaar!

Slide 7 - Tekstslide

Wat moet er op de open plek?
This is _______ iPad. (Lisa)
A
Lisa's
B
Lisa'
C
Lisas
D
Lisa of

Slide 8 - Quizvraag

Wat moet er op de open plek?
This is the ____________ London (tower)
A
tower's
B
tower'
C
towers
D
tower of

Slide 9 - Quizvraag

Wat moet er op de open plek?
This is my _______ room. (parents)
A
parent's
B
parents'
C
parents
D
Parents of

Slide 10 - Quizvraag

Evaluatie:
Wanneer gebruik je alleen de ' om bezit aan te geven?
A
Bij meervoud dat al op een <s> eindigt
B
Bij meervoud
C
Bij enkelvoud
D
Bij enkelvoud dat al op een <s> eindigt

Slide 11 - Quizvraag

Evaluatie:
Wat doe je om bezit aan te geven bij enkelvouden?
A
+ s
B
+ s'
C
+ '
D
+ 's

Slide 12 - Quizvraag

Evaluatie:
Plus 's kan eigenlijk altijd, behalve bij...
A
Dingen
B
Dingen en enkelvoud dat al op een <s> eindigt
C
Dingen en meervoud dat al op een <s> eindigt
D
Meervoud en enkelvoud dat al op een <s> eindigt

Slide 13 - Quizvraag

The possessive :
Lisa - pen

Slide 14 - Open vraag

my dog - bone

Slide 15 - Open vraag

the capital - Belgium

Slide 16 - Open vraag

Much or many?

Slide 17 - Tekstslide

Veel
  • much
  • many

Slide 18 - Tekstslide

Which one should you use?

Many --> voor telbare woorden

Much --> voor ontelbare woorden


Slide 19 - Tekstslide

Much or many?
coffee
A
much
B
many

Slide 20 - Quizvraag

Much or many?
children
A
much
B
many

Slide 21 - Quizvraag

Much or many?
food
A
much
B
many

Slide 22 - Quizvraag

Much or many?
tomatoes
A
much
B
many

Slide 23 - Quizvraag

Much or many?
secrets
A
much
B
many

Slide 24 - Quizvraag

Much or many?
sugar
A
much
B
many

Slide 25 - Quizvraag

Much or many?
fun
A
much
B
many

Slide 26 - Quizvraag

Past Simple
The past simple is what in Dutch is called the verleden tijd

Slide 27 - Tekstslide

Past Simple - Regular Verbs
After a regular verb you put '-ed'

I walk -> I walked
He walks -> He walked
They walk -> They walked

Slide 28 - Tekstslide

Past Simple - Regular verbs

Spelling:
Als een werkwoord eindigt op een medeklinker + -y, dan verandert de -y in -ie:

  • I carry - I carried

Let op, er verandert niets als het werkwoord eindigt op klinker + -y:

  • I play - I played

Als een werkwoord eindigt op -e, dan komt er in de past simple alleen een -d achter:

  • I live - I lived

In de past simple wordt de laatste medeklinker verdubbeld als er één klinker voor staat:

  • I drop - I dropped

Slide 29 - Tekstslide

My sister .......... (play) the guitar last year.

Slide 30 - Open vraag

What is the past tense of: Help
A
helping
B
helped
C
helps
D
help'd

Slide 31 - Quizvraag

What is the past tense of: study
A
studyd
B
studyied
C
studyed
D
studied

Slide 32 - Quizvraag

What is the past tense of: walk
A
walkt
B
wolked
C
wolk
D
walked

Slide 33 - Quizvraag

Slim stampen
Stepping stones online
Chapter 5

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Link

Slide 36 - Link