H 1.3 Inkomen

H 1.3 Inkomen
Theorie vragen om te oefenen!!
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

H 1.3 Inkomen
Theorie vragen om te oefenen!!

Slide 1 - Tekstslide

Wat is een primair inkomen?
A
Inkomen waarvoor je geen tegenprestatie levert.
B
Inkomen waarvoor je iets moet doen.
C
Inkomen uit toeslagen.
D
Inkomen van de overheid.

Slide 2 - Quizvraag

Welke van onderstaande is géén primair inkomen?
A
Loon
B
Rente
C
Huurtoeslag
D
Winst

Slide 3 - Quizvraag

Welke inkomensvorm hoort bij inkomen uit vermogen?
A
Salaris
B
Huur
C
Bijstand
D
Kinderbijslag

Slide 4 - Quizvraag

Wat is dividend?
A
Rente op spaargeld
B
Loon voor aandeelhouders
C
Deel van de winst voor aandeelhouders
D
Een belasting op winst

Slide 5 - Quizvraag

Wat is een overdrachtsinkomen?
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen zonder tegenprestatie
C
Inkomen uit beleggen
D
Inkomen uit ondernemen

Slide 6 - Quizvraag

Welk onderstaande is een overdrachtsinkomen?
A
Pacht
B
Loon
C
AOW-uitkering
D
Winst

Slide 7 - Quizvraag

Wat is vermogen?
A
Bezittingen
B
Bezittingen plus schulden
C
Bezittingen min schulden
D
Inkomen min belastingen

Slide 8 - Quizvraag

Iemand heeft een huis van €400.000 en een hypotheekschuld van €350.000 Wat is het vermogen in de woning?
A
€50.000
B
€350.000
C
€400.000
D
€750.000

Slide 9 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen inkomen en vermogen?
A
Inkomen wordt op één moment gemeten, vermogen over een periode
B
Inkomen wordt over een periode gemeten, vermogen op een moment.
C
Er is geen verschil
D
Vermogen is altijd hoger dan inkomen

Slide 10 - Quizvraag

Wat betekent een positief verband tussen inkomen en vermogen?
A
Als het inkomen stijgt, daalt het vermogen
B
Als het inkomen stijgt, stijgt het vermogen meestal ook
C
Inkomen en vermogen hebben niets met elkaar te maken
D
Vermogen stijgt alleen als inkomen daalt.

Slide 11 - Quizvraag

Welke hoort bij primaire arbeidsvoorwaarden?
A
Vakantiedagen
B
Reiskostenvergoeding
C
Loon
D
Leaseauto

Slide 12 - Quizvraag

Welke hoort bij secundaire arbeidsvoorwaarden?
A
Uurloon
B
Salaris
C
Aantal werkuren
D
Reiskostenvergoeding

Slide 13 - Quizvraag

Hoe bereken je nettoloon?
A
Brutoloon + loonheffing
B
Brutoloon - loonheffing - pensioenpremies
C
Brutoloon - pensioenpremies
D
Brutoloon + toeslagen

Slide 14 - Quizvraag

Welke toeslag hoort NIET bij de drie belangrijkste toeslagen?
A
Huurtoeslag
B
Zorgtoeslag
C
Kinderopvangtoeslag
D
Studietoeslag

Slide 15 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen sociale voorziening en sociale verzekering?
A
Soc. voorzieningen zijn voor iedereen
B
Soc. verzekeringen worden uit belasting betaald
C
Soc. voorzieningen zijn voor mensen zonder ander inkomen/recht op uitkering
D
Er is geen verschil

Slide 16 - Quizvraag

Welke uitspraak over werknemersverzekeringen is juist?
A
Iedereen in Nederland is automatisch verzekerd
B
Alleen mensen in loondienst zijn verzekerd
C
Alleen gepensioneerden zijn verzekerd
D
Werkelozen betalen zelf premie

Slide 17 - Quizvraag