Je kunt de begrippen behoeften, middelen, schaarste en consumptie uitleggen.
Je kunt het verschil tussen een geldstroom en een goederenstroom uitleggen.
Je kunt de vier productiefactoren en de vijf primaire inkomens noemen.
Je kunt de toegevoegde waarde van een onderneming berekenen.
Je kunt een bedrijfskolom tekenen en uitleggen dat elke schakel waarde toevoegt aan een product.
Je kunt het onderscheid tussen individuele goederen, collectieve goederen en quasi-collectieve goederen uitleggen en je kunt uitleggen waarom de overheid sommige individuele goederen produceert en levert.
Je kunt de begrippen directe ruil, indirecte ruil, chartaal geld en giraal geld uitleggen.
Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen de intrinsieke waarde van geld en de nominale waarde van geld.
Je kunt de drie functies van geld noemen.
Je kunt de begrippen import en export uitleggen en het handelsbalanssaldo van een land berekenen.
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2
In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 30 min
Onderdelen in deze les
1.1 Wat is economie
Je kunt de begrippen behoeften, middelen, schaarste en consumptie uitleggen.
Je kunt het verschil tussen een geldstroom en een goederenstroom uitleggen.
Je kunt de vier productiefactoren en de vijf primaire inkomens noemen.
Je kunt de toegevoegde waarde van een onderneming berekenen.
Je kunt een bedrijfskolom tekenen en uitleggen dat elke schakel waarde toevoegt aan een product.
Je kunt het onderscheid tussen individuele goederen, collectieve goederen en quasi-collectieve goederen uitleggen en je kunt uitleggen waarom de overheid sommige individuele goederen produceert en levert.
Je kunt de begrippen directe ruil, indirecte ruil, chartaal geld en giraal geld uitleggen.
Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen de intrinsieke waarde van geld en de nominale waarde van geld.
Je kunt de drie functies van geld noemen.
Je kunt de begrippen import en export uitleggen en het handelsbalanssaldo van een land berekenen.
Slide 1 - Tekstslide
Economie gaat over….
A
Kijken hoe mensen omgaan met hun geld en welke keuzes ze maken
B
Kijken hoe bedrijven omgaan met hun geld en welke keuzes ze maken?
Kijken hoe bedrijven omgaan met hun geld en welke keuzes ze maken
C
Kijken hoe mensen en bedrijven omgaan met hun geld en welke keuzes ze maken
D
gezelligheid en leuke (klets)praatjes!
Slide 2 - Quizvraag
Je veegt het lokaal van de docent. Je mag daardoor een keer mee met de lift.
A
Directe ruil
B
Indirecte ruil
C
lopen is gezonder
D
strafwerk
Slide 3 - Quizvraag
Functies van geld
Ruilmiddel
Spaarmiddel
Rekenmiddel
Slide 4 - Sleepvraag
Welke omschrijving hoort bij welke productiefactor?
arbeid
kapitaalgoederen
natuur
machines om hout te zagen en te bewerken
mensen om de machines te bedienen;
timmerhout.
Slide 5 - Sleepvraag
Bij indirecte ruil is er sprake van een ruilmiddel (bijv. geld).
A
Waar
B
Niet waar
Slide 6 - Quizvraag
Wat wordt er bedoeld met de toegevoegde waarde?
A
De begin waarde van een product
B
De totaal waarde van een product
C
Het verschil tussen de begin en eind waarde van een product
D
De waarde die wordt toegevoegd bij verwerking van product
Slide 7 - Quizvraag
Bereken de toegevoegde waarde van de textielfabriek.
Slide 8 - Open vraag
Consumptiegoederen
Kapitaalgoederen
Oven in een restaurant
Oven bij jou thuis
Auto van je moeder
Bestelbus van een bedrijf
Slide 9 - Sleepvraag
Bedrijfskolom
Chocoladefabriek
Supermarkt
Importeur
Cacaoplantage
Groothandel
Slide 10 - Sleepvraag
1.2 Rekenen met procenten
Je kunt een procentueel aandeel berekenen.
Je kunt een procentuele verandering berekenen met behulp van twee absolute getallen.
Je kent het verschil tussen procent, procentpunt en promille.
Je kunt een bedrag berekenen als het procentuele verschil met een ander bedrag is gegeven of als het procentuele aandeel van een ander bedrag is gegeven.
Je kunt absolute getallen als indexcijfers schrijven.
Je kunt met behulp van indexcijfers een procentuele verandering berekenen.
Slide 11 - Tekstslide
De consumentenprijs is € 25,86. BTW is 21% BTW. Wat is het BTW bedrag?
A
€ 4,49
B
€ 5,43
C
€ 4,75
D
€ 6,87
Slide 12 - Quizvraag
1.3 Inkomen
Je kunt de primaire inkomens en voorbeelden van overdrachtsinkomens noemen.
Je kunt het verschil tussen inkomen en vermogen uitleggen.
Je kunt, met voorbeelden, uitleggen dat er een positief verband bestaat tussen inkomen en vermogen (en tussen vermogen en inkomen).
Je kunt het verschil tussen primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden uitleggen.
Je kunt het onderscheid tussen brutoloon en nettoloon uitleggen.
Je kunt de drie belangrijkste toeslagen van de belastingdienst noemen.
Je kunt de verschillen en overeenkomsten tussen sociale voorzieningen en sociale verzekeringen uitleggen.
Je kunt de verschillen en overeenkomsten tussen volksverzekeringen en werknemersverzekeringen uitleggen.
Slide 13 - Tekstslide
Slide 14 - Tekstslide
Wat is geen primair inkomen?
A
aow uitkering
B
dividend
C
huur
D
rente
Slide 15 - Quizvraag
Wat is GEEN overdrachtsinkomen
A
Bijstandsuitkering
B
Zakgeld
C
Loon
D
AOW-uitkering
Slide 16 - Quizvraag
Uitkeringen en toeslagen zijn...
A
Primaire inkomens
B
Inkomen uit vermogen
C
Inkomen uit arbeid
D
Overdrachtsinkomen
Slide 17 - Quizvraag
€ ............
€ 460,-
€ 1570,-
€ 3590,-
Brutoloon
Nettoloon = brutoloon - inhoudingen
Slide 18 - Tekstslide
I: Brutoloon is het geld wat je uiteindelijk krijgt.
II: Nettoloon is het geld waar alle sociale premies en belasting af zijn gehaald.
A
Beide zijn juist
B
1 is onjuist, 2 is juist
C
1 is juist, 2 is onjuist
D
Beide zijn onjuist
Slide 19 - Quizvraag
1.4 Sparen en Beleggen
Je kunt het begrip risico-aversiteit uitleggen.
Je kunt de verschillen tussen een spaarrekening en een spaardeposito noemen.
Je kunt de interest op basis van enkelvoudige interest (rente) berekenen.
Je kunt het saldo op een spaarrekening berekenen met behulp van samengestelde interest.
Je kunt het bijgeschreven rentebedrag op een spaarrekening berekenen met behulp van samengestelde interest.
Slide 20 - Tekstslide
Sleep de kenmerken naar de juiste plek
Spaarrekening
Spaardeposito
Vaste rente
Variabele rente
Rente over rente
Geld staat vast
Enkelvoudige rente
Samengestelde rente
Slide 21 - Sleepvraag
Karin Geluk zet € 3.000 voor drie jaar vast op een spaarrekening met 2% rente. Bereken het eindbedrag na drie jaar. Doe dit met enkelvoudige rente.
A
€ 180
B
€ 3.060
C
€ 3.183,63
D
€ 3.180
Slide 22 - Quizvraag
Asena zet op 1 januari 2017 € 500 op een spaarrekening. Ze krijgt een vaste rente van 1,5%. De bank rekent met samengestelde interest.
Bereken hoeveel rente Asena na drie jaar heeft gekregen.