Hierin bereid je jezelf voor op de ontmoeting van de klant
Slide 3 - Tekstslide
Openingsfase
Hierin maak je kennis met de klant
Slide 4 - Tekstslide
Informatiefase
Hierin geef je de klant informatie over het product of de dienst en ga je in op vragen die de klant stelt.
Slide 5 - Tekstslide
Transformatiefase
Hierin probeer je zoveel mogelijk bezwaren en weerstanden van de klant te bespreken en/of te weerleggen. Jij moet de klant positieve beweegredenen om jou product of dienst te geven.
Slide 6 - Tekstslide
Afsluitfase
Hierin beslist de klant of de order wel of niet doorgaat. De klant geeft dan een afsluitsignaal, een verbaal of non-verbaal signaal waarmee de klant te kennen geeft dat hij een besluit heeft genomen
Slide 7 - Tekstslide
Relatiefase
Inmiddels heeft de klant iets gekocht en is het jouw taak de relatie met de klant goed te onderhouden.
Slide 8 - Tekstslide
In welke fase van het verkoopproces wordt gesproken over levervoorwaarden?
A
Introductiefase
B
Afsluitfase
C
Informatiefase
D
Transformatiefase
Slide 9 - Quizvraag
In welke fase van het verkoopproces worden klantbehoeften in kaart gebracht?
A
Informatiefase
B
Onderhandelingsfase
C
Voorbereidingsfase
D
Transformatiefase
Slide 10 - Quizvraag
Slide 11 - Tekstslide
Een bedrijf plaatst links op de website van andere organisaties. Het betaalt voor elke bezoeker die via zo’n link de website bezoekt. Waarvan is hier sprake?
A
Affiliate marketing
B
link-building
C
zoekmachinemarketing
D
webvertising
Slide 12 - Quizvraag
Een bedrijf verstuurt een nieuwsbrief naar klanten met een gerichte promotionele actie. Waarvan is hier sprake?
A
Affiliate marketing
B
E-mailmarketing
C
link-building
D
appvertising
Slide 13 - Quizvraag
Welk model structureert de stappen van de verkoopcyclus? Er zijn 2 antwoorden goed.
A
AIDA-model
B
DAGMAR-model
C
VOITA-model
D
VOCATIO-model
Slide 14 - Quizvraag
Toetsterm 2.2: Indirect klantcontact
Een bedrijf huurt ook vaak mensen in om werk voor ze te doen.
Commissionair = een tussenpersoon die op eigen naam overeenkomsten sluit, maar voor rekening van een opdrachtgever (de committent).
Agent = Handelsagent spoort in een bepaalde markt klanten op met de bedoeling overeenkomsten af te sluiten in naam en voor rekening van hun opdrachtgever.
Slide 15 - Tekstslide
Toetsterm 2.2: Indirect klantcontact
Een bedrijf huurt ook vaak mensen in om werk voor ze te doen.
Makelaar = helpt bij het (ver)kopen van huizen.
Jobber = vaak een groothandelaar dat onderdelen levert.
Value-added reseller = iemand die een product inkoopt en dat voor een duurdere prijs verkoopt.
Slide 16 - Tekstslide
Een eigenaar van onroerend goed besluit een van zijn bedrijfspanden te verkopen. Hij huurt een specialist in om hem hierbij te helpen. Van welk indirect klantcontact is hier sprake?
A
Via een agent
B
Via een commissionair
C
Via een makelaar
D
Via een jobber
Slide 17 - Quizvraag
Een exportbedrijf wil komend jaar grondstoffen in het buitenland kopen. Het bedrijf schakelt een tussenpersoon in. Deze zal op eigen naam de grondstoffen in het buitenland kopen. Van welk indirect klantcontact is hier sprake?
A
Via een agent
B
Via een commissionair
C
Via een makelaar
D
Via een jobber
Slide 18 - Quizvraag
Eric is ingehuurd door een opdrachtgever en spoort in een bepaalde markt klanten op met de bedoeling overeenkomsten af te sluiten in naam en voor rekening van zijn opdrachtgever. Van welk indirect klantcontact is hier sprake?
A
Via een agent
B
Via een commissionair
C
Via een makelaar
D
Via een jobber
Slide 19 - Quizvraag
Toetsterm 2.3
Slide 20 - Tekstslide
Slide 21 - Tekstslide
Slide 22 - Tekstslide
Slide 23 - Tekstslide
Slide 24 - Tekstslide
Welke indeling van de salesfuncties wordt in deze organisatie gehanteerd? 2 antwoorden goed
A
geografische indeling
B
productgerichte indeling
C
afnemersgerichte indeling
D
marktgerichte indeling
Slide 25 - Quizvraag
Wat zijn voordelen van een geografische salesorganisatie in vergelijking tot een marktgerichte? Er zijn 2 antwoorden goed.
A
de verkopers hebben inzicht in de verschillende klantbehoeften
B
de verkopers hebben veel productkennis
C
de verkopers werken in een voor hen bekende regio
D
er is inzicht in de opbrengsten en kosten per rayon
Slide 26 - Quizvraag
Wat zijn voordelen van een afnemersgerichte organisatie? Er zijn 2 antwoorden goed.
A
De verkopers hebben inzicht in de verschillende klantenbehoeften
B
De verkopers hebben specifieke kennis van inkoopmarkten
C
De verkopers werken in een voor hen bekende regio
D
De verkopers zijn goed in staat het onderscheid te maken tussen klanten
Slide 27 - Quizvraag
Slide 28 - Tekstslide
Wat is een cold prospect?
A
een ex-klant die op het punt staat weer een order te plaatsen
B
Een potentiële klant die op korte termijn nog geen order wil plaatsen
C
Iemand uit de doelgroep waarmee nog geen contact is geweest
D
Een die al heeft laten blijken dat hij interesse heeft door naar de website te gaan
Slide 29 - Quizvraag
Wat is een suspect?
A
Een ex-klant die op het punt staat weer een order te plaatsen
B
Een klant die op korte termijn nog geen order wil plaatsen
C
Een klant uit de doelgroep waarmee nog geen contact is geweest
D
Een verdachte die al een order heeft geplaatst
Slide 30 - Quizvraag
Welke taken heeft een accountmanager? Er zijn 2 antwoorden goed.
A
Leiden van een verkoopteam
B
Managen van topklanten
C
Onderhouden van relaties met klanten
D
Ontwikkelen van accountplannen
Slide 31 - Quizvraag
Welke functionaris heeft als belangrijke taak: ‘het managen van de relatie met strategische klanten’?
A
accountmanager
B
key-accountmanager
C
salesmanager
Slide 32 - Quizvraag
Wat doet een merchandiser?
A
alle activiteiten die op de plaats van verkoop het product zichtbaar of beter grijpbaar maken
B
rondlopen in kleding van de zaak met het logo erop
C
onderhoud de relaties met vaste en stategische klanten
D
naar de klant toe om nieuwe producten in het assortiment te promoten en verkopen
Slide 33 - Quizvraag
Slide 34 - Tekstslide
Een accountmanager bezoekt op eigen initiatief een klant in Brabant. Van welke vorm van verkoop is sprake?
A
actieve verkoop
B
indirecte acquisitie
C
receptieve verkoop
Slide 35 - Quizvraag
Een supermarkteigenaar brengt een bezoek aan een groothandel. Hij bekijkt het assortiment en vraagt een prijslijst op aan de verkoper. Van welke vorm van verkoop is hier sprake?
A
actieve verkoop
B
indirecte acquisitie
C
receptieve verkoop
D
niet-persoonlijke verkoop
Slide 36 - Quizvraag
Wat is het doel van de Autoriteit Persoonsgegevens?
A
De ethiek van reclame naar burgers toe bewaken
B
Informatie over burgers veiligstellen en waarborgen
C
Toezicht houden op informatiestroom naar burgers
Slide 37 - Quizvraag
Wat is het doel van de Stichting Reclame Code?
A
De ethiek van advertenties bewaken, wat mag wel en wat niet
B
Informatie over personen veiligstellen en waarborgen
C
Toezicht houden op de mededinging en telecommunicatie
Slide 38 - Quizvraag
Wat is een medium?
A
Drager van een reclameboodschap aan personen uit de doelgroep
B
proces waarbij alle informatie van de ontvanger terugkeert naar de ontvanger
C
storing in het overbrengen van een reclameboodschap aan de doeglroep
Slide 39 - Quizvraag
Slide 40 - Tekstslide
Wat is een sellogram?
A
Een klantenregister dat voornamelijk wordt gebruikt voor
marktonderzoek
B
Een schema met daarin productkenmerken en producteigenschappen
C
Een verkoopinformatiesysteem met een database waarin commerciële
informatie wordt opgeslagen
D
een muziekinstrument
Slide 41 - Quizvraag
Wat is customer rating?
A
de waarde van een klant voor het bedrijf, in euro's uitgedrukt
B
hoe vaak een klant terugkomt of blijft hangen na een aankoop
C
Het rangschikken van afnemers door deze te beoordelen op specifieke criteria
D
dit staat beschreven in het CRM-systeem
Slide 42 - Quizvraag
Wat is break-even-omzet?
A
omzet waarbij de totale kosten gelijk zijn aan totale opbrengsten
B
omzet waarbij totale kosten hoger zijn dan totale obprengsten
C
omzet waarbij totale kosten lager zijn dan totale opbrengsten
D
aantal verkochte producten waarbij er geen winst of verlies is
Slide 43 - Quizvraag
Tot welke kostensoort behoren de rente- en afschrijvingskosten?
A
constante kosten
B
directe kosten
C
variabele kosten
D
brutowinst
Slide 44 - Quizvraag
Tot welke kostensoort behoort de inkoopwaarde van de omzet?
A
constante kosten
B
indirecte kosten
C
variabele kosten
D
brutowinst
Slide 45 - Quizvraag
Wat is het verschil tussen de brutowinst en nettowinst?
A
de inkoopwaarde
B
de bedrijfskosten
C
de winst
D
de omzet
Slide 46 - Quizvraag
Wat is seizoenskorting?
A
korting op de prijs door een bepaald jaargetijde
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant
Slide 47 - Quizvraag
Wat is actiekorting?
A
korting op de prijs door een bepaald jaargetijde
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant
Slide 48 - Quizvraag
Wat is omzetbonus?
A
korting op de prijs door een bepaald jaargetijde
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting doordat een product zo vaak wordt gekocht
D
korting voor een vaste klant
Slide 49 - Quizvraag
wat betekent de winstmarge?
A
percentage over de prijs wat je aan winst maakt
B
percentage over de bedrijfskosten wat je aan winst maakt
C
nettowinst+brutowinst
D
inkoopprijs x afzet
Slide 50 - Quizvraag
Wat is de kostprijs?
A
de totale kosten die je maakt voor een product
B
de totale omzet die je verdient
C
de bedrijfskosten
D
wat je overhoudt aan nettowinst
Slide 51 - Quizvraag
Wat is een target?
A
een terugblik of je je doel hebt behaald
B
een concreet doel voor de korte termijn
C
hoeveel acquisitie-belletjes je per week uitvoert
D
een concreet doel waar je over 10 jaar staat met het bedrijf
Slide 52 - Quizvraag
Wat is de omloopsnelheid?
A
aantal dagen dat gemiddelde voorraad in bedrijf aanwezig is
B
aantal keren dat de BEO jaarlijks wordt behaald
C
tijd die het duurt om een investering terug te verdienen
D
aantal keren dat de gemiddelde voorraad jaarlijks verkocht wordt
Slide 53 - Quizvraag
Wat is een kwantumkorting?
A
korting bij het plaatsen van grote orders
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant
Slide 54 - Quizvraag
Wat is een rabatkorting?
A
korting bij het plaatsen van grote orders
B
standaardkorting die een handelaar krijgt
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant
Slide 55 - Quizvraag
Wat is de terugverdientijd?
A
aantal dagen dat gemiddelde voorraad in bedrijf aanwezig is
B
aantal keren dat de BEO jaarlijks wordt behaald
C
tijd die het duurt om een investering terug te verdienen
D
aantal keren dat de gemiddelde voorraad jaarlijks verkocht wordt
Slide 56 - Quizvraag
van welke soort kosten zijn maandelijkse telefoonkosten een voorbeeld?
A
indirecte kosten
B
directe kosten
C
variabele kosten
D
geen van deze
Slide 57 - Quizvraag
Wat is het doel van Stichting Reclame Code?
A
de ethiek van advertenties bewaken
B
informatie over personen veiligstellen en waarborgen
C
toezicht houden op de mededinging en telecommunicatie
Slide 58 - Quizvraag
Wat betekent de afkorting ACM?
A
Autoriteit Consument & Markt
B
Autoriteit Consument & Media
C
Autoriteit Commercie & Markt
D
Algemene Consument & Markt
Slide 59 - Quizvraag
Wat doet ACM?
A
ze zorgt voor eerlijke concurrentie
B
bepaalt de regels waaraan alle reclame-uitingen moeten voldoen
C
zorgt ervoor dat telemarketing vertrouwd wordt ingezet
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 60 - Quizvraag
Wat doet DDMA gedragscode?
A
ze zorgt voor eerlijke concurrentie
B
bepaalt de regels waaraan alle reclame-uitingen moeten voldoen
C
zorgt ervoor dat telemarketing vertrouwd wordt ingezet
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 61 - Quizvraag
Wat doet Stichting Postfilter?
A
ze zorgt voor eerlijke concurrentie
B
bepaalt de regels waaraan alle reclame-uitingen moeten voldoen
C
zorgt ervoor dat telemarketing vertrouwd wordt ingezet
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 62 - Quizvraag
Wat doet Consuwijzer?
A
ontvangen meldingen van datalek
B
je behoudt je rechten, maar geeft aan anderen toestemming voor gebruik
C
geeft advies over je rechten als consument
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 63 - Quizvraag
Wat doet Creative Commons?
A
ontvangen meldingen van datalek
B
je behoudt je rechten, maar geeft aan anderen toestemming voor gebruik
C
geeft advies over je rechten als consument
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 64 - Quizvraag
wat betekent Free On Board?
A
alle transportkosten zijn voor rekening van de leverancier
B
de afnemer moet bij levering de factuur afrekenen
C
de transportkosten zijn voor rekening van de koper
D
de verkoper draagt alle kosten en risico's tot goederen aan boord zijn
Slide 65 - Quizvraag
van welke soort kosten zijn huurkosten een voorbeeld?
A
indirecte kosten
B
directe kosten
C
variabele kosten
D
geen van deze
Slide 66 - Quizvraag
van welk soort kosten zijn grondstofkosten een voorbeeld?
A
vaste kosten
B
directe kosten
C
indirecte kosten
D
geen van deze
Slide 67 - Quizvraag
Wat is servicegraad?
A
het % klanten dat reageert op een reclame
B
% offertes dat leidt tot een order
C
percentage orders dat een bedrijf uit voorraad kan leveren
D
mate van hulp in een winkel
Slide 68 - Quizvraag
van welk soort kosten zijn verzendkosten een voorbeeld?
A
vaste kosten
B
variabele kosten
C
indirecte kosten
D
geen van deze
Slide 69 - Quizvraag
Wat is call-ratio?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen
Slide 70 - Quizvraag
Wat is conversieverhouding?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen
Slide 71 - Quizvraag
Wat is de succesrate?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen
Slide 72 - Quizvraag
Wat is responspercentage?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen
Slide 73 - Quizvraag
Wat is offertescoringsratio?
A
2 offertes nodig voordat klant tot aankoop overgaat