Les 4 Cijfers en getallen tot 100

Cijfers en getallen tot 100

1 / 34
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNT2Special Education

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Cijfers en getallen tot 100

Open met het verschil tussen wat leerlingen al vaak zien in het dagelijks leven en wat ze vandaag doelgericht leren gebruiken: cijfers herkennen, getallen benoemen en toepassen.

Je leert vandaag:

Cijfers en getallen tot en met 100 herkennen, hardop benoemen, schrijven en gebruiken in eenvoudige alledaagse situaties.

Deze slide heeft geen instructies

Cijfer of getal?

Een cijfer is één teken: `0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9`.


Een getal kan uit één of meer cijfers bestaan.


Voorbeelden:

  • `7` is een cijfer én een getal

  • `15` is een getal met twee cijfers

  • `100` is een getal met drie cijfers

Benadruk dat leerlingen in het dagelijks taalgebruik deze woorden vaak door elkaar gebruiken, maar dat het onderscheid helpt bij lezen en schrijven van getallen.

De cijfers 0 tot en met 9

Met deze tien cijfers maak je alle getallen.


  • 0 betekent geen aantal

  • 1 t/m 9 zijn de basis

  • cijfers kunnen alleen staan of samen een groter getal vormen

Noem eventueel dat 0 voor veel NT2-leerlingen extra aandacht vraagt, omdat het tegelijk een symbool en een betekenis heeft: nul = niets.

Woordenlijst

cijfer - een teken van 0 tot en met 9

getal - een hoeveelheid of nummer, geschreven met één of meer cijfers

telrij - de vaste volgorde van getallen bij het tellen

tiental - een groep van tien

eenheid - wat overblijft naast de tientallen

hoeveelheid - het aantal dingen of personen

hardop benoemen - een getal luid uitspreken

Deze slide heeft geen instructies

De telrij tot 100

De telrij loopt stap voor stap omhoog.


  • 1, 2, 3, 4, 5 ...

  • 10, 11, 12 ...

  • 20, 21, 22 ...

  • 30, 40, 50 ...

  • ... tot en met 100


Bij tellen komt er steeds één bij.

Leg de nadruk op de regelmaat in de telrij. Laat zien dat leerlingen patronen kunnen herkennen, vooral bij de tientallen.

Patronen in de telrij

In de telrij zie je vaste patronen.


  • na 19 komt 20

  • na 29 komt 30

  • na 39 komt 40

  • elk nieuw tiental begint opnieuw met 0 t/m 9

  • 100 komt na 99

Dit is een belangrijke opstap naar tweecijferige getallen. Wijs op de overgang van eenheden naar een nieuw tiental.

Tientallen en eenheden

Een tweecijferig getal bestaat uit tientallen en eenheden.


  • in 34 is 3 het aantal tientallen

  • in 34 is 4 het aantal eenheden

  • 34 = 30 + 4

  • in 80 zijn er 8 tientallen en 0 eenheden

Gebruik duidelijke voorbeelden. 80 is nuttig omdat leerlingen zien dat een 0 op de eenhedenplaats betekenis heeft.

Wat is het verschil tussen een cijfer en een getal?

A

Een cijfer is één teken

B

Een getal is altijd één teken

C

Een cijfer is altijd groter

D

Een getal heeft altijd twee cijfers

Toetst het kernonderscheid uit slides 2-3. Veelgemaakte fout: denken dat elk getal uit twee cijfers bestaat.

Van 0 tot 10

0 nul

1 één

2 twee

3 drie

4 vier

5 vijf

6 zes

7 zeven

8 acht

9 negen

10 tien


Deze slide heeft geen instructies

hoe heet het getal?

A

acht

B

vijf

C

tien

D

vier

Deze slide heeft geen instructies

hoe heet het getal?

A

twee

B

vijf

C

negen

D

één

Deze slide heeft geen instructies

hoe heet het getal?

A

één

B

drie

C

tien

D

negen

Deze slide heeft geen instructies

wat is de goede volgorde?

A

vier acht vijf

B

vier vijf acht

C

vier vijf zes

D

vier één tien

Deze slide heeft geen instructies

Sleepvraag



drie

nul

Deze slide heeft geen instructies

Sleepvraag

10

6

één

vijf

zes

tien

Deze slide heeft geen instructies

Tientallen

10 tien

20 twintig

30 dertig

40 veertig

50 vijftig

60 zestig

70 zeventig

80 tachtig

90 negentig

100 honderd

Deze slide heeft geen instructies

hoe heet het getal?

A

tachtig

B

vijftig

C

honderd

D

veertig

Deze slide heeft geen instructies

hoe heet het getal?

A

negentig

B

vijftig

C

honderd

D

tachtig

Deze slide heeft geen instructies

hoe heet het getal?

A

negentig

B

zeventig

C

veertig

D

dertig

Deze slide heeft geen instructies

hoe heet het getal?

A

drietig

B

veertig

C

dertig

D

dreitig

Deze slide heeft geen instructies

Honderdtallen

100 honderd

200 tweehonderd

300 driehonderd

400 vierhonderd

500 vijfhonderd

600 zeshonderd

700 zevenhonderd

800 achthonderd

900 negenhonderd

1000 duizend

Deze slide heeft geen instructies

Getallen lezen

Bij het lezen koppel je het geschreven getal aan het gesproken woord.


  • 8 → acht

  • 19 → negentien

  • 40 → veertig

  • 58 → achtenvijftig

  • 100 → honderd

Laat leerlingen verschillen horen tussen tien, twintig, dertig, veertig enzovoort. Uitspraak en herkenning horen hier samen.

Getallen schrijven

Bij het schrijven zet je een gehoord getal om in cijfers.


  • zes → 6

  • elf → 11

  • dertig → 30

  • tweeënzeventig → 72

  • honderd → 100

Noem dat correct schrijven belangrijk is in formulieren, adressen, bedragen en tijden.

Van gesproken naar geschreven

Luisteren helpt bij het juist noteren van een getal.


  • hoor je een tiental? schrijf eerst dat deel

  • hoor je ook een eenheid? voeg die toe

  • negenendertig = 39

  • eenenvijftig = 51

Wijs op mogelijke verwarring door de omgekeerde woordvolgorde in het Nederlands. Herhaal dat de schrijfwijze in cijfers wel van links naar rechts gaat: tientallen, dan eenheden.

Welk getal hoort bij het woord vijfentwintig?

A

52

B

15

C

25

D

35

Controleert of leerlingen het gesproken woord goed koppelen aan cijfers.

Vul de juiste getallen en woorden in

Bij het lezen koppel je 58 aan achtenvijftig. Bij het schrijven wordt dertig het getal 30. Wie negenendertig hoort, schrijft 39.

achtenvijftig
dertig
negenendertig
vijfentachtig
dertien
negenenzeventig
40

Echoot slides 8-10: lezen is van cijfers naar woord, schrijven is van woord naar cijfers.

Getallen en hoeveelheden

Een getal hoort bij een hoeveelheid.


  • 3 appels = drie appels

  • 12 stoelen = twaalf stoelen

  • 25 euro = vijfentwintig euro

Maak duidelijk dat een getal niet alleen een symbool is, maar ook een echte hoeveelheid aangeeft.

Hoeveel is meer of minder?

Met getallen kun je hoeveelheden vergelijken.


  • 8 is meer dan 5

  • 14 is minder dan 20

  • 30 is meer dan 29

  • 50 en 50 zijn evenveel

Vergelijken ondersteunt begrip van de getalvolgorde. Koppel dit terug aan de telrij en tientallen/eenheden.

Getallen in het dagelijks leven

Je gebruikt getallen elke dag.


  • leeftijd: 18 jaar

  • huisnummer: 24

  • aantal: 6 boeken

  • prijs: 12 euro

Kies voorbeelden die herkenbaar zijn voor de doelgroep. Hou het praktisch en concreet.

Tijd en geld

Ook bij tijd en geld zijn getallen belangrijk.


  • 08:15 is een tijd

  • 17:30 is een tijd

  • 5 euro is een bedrag

  • 49 euro is een bedrag

Bij tijd kun je benoemen dat getallen niet altijd een hoeveelheid aangeven, maar soms een aanduiding of code zijn.

Samenvatting

Tot en met 100 werken getallen op een vaste manier.


  • cijfers 0 t/m 9 vormen alle getallen

  • een getal kan uit één of meer cijfers bestaan

  • tweecijferige getallen hebben tientallen en eenheden

  • getallen kun je lezen, schrijven en gebruiken

  • je ziet ze elke dag om je heen

Gebruik deze slide om de centrale lijn van de les af te ronden: herkennen, benoemen, schrijven en toepassen.

Welke vergelijking is juist?

A

14 is meer dan 20

B

50 en 49 zijn evenveel

C

30 is minder dan 29

D

8 is meer dan 5

Toetst vergelijking van hoeveelheden en volgorde in de telrij.

Vul de juiste woorden in

Getallen gebruik je elke dag. Leeftijd 18 jaar is een getal in een alledaagse situatie. Ook 08:15 is een tijd, en 49 euro is een bedrag.

getal
08:15
49 euro
cijfer
80:15
94 euro
telrij

Verbindt slides 11-15: getallen als hoeveelheid, vergelijking en dagelijks gebruik bij tijd en geld.