Cijfers en getallen tot 100
Cijfers en getallen tot 100
Open met het verschil tussen wat leerlingen al vaak zien in het dagelijks leven en wat ze vandaag doelgericht leren gebruiken: cijfers herkennen, getallen benoemen en toepassen.
Je leert vandaag:
Cijfers en getallen tot en met 100 herkennen, hardop benoemen, schrijven en gebruiken in eenvoudige alledaagse situaties.
Deze slide heeft geen instructies
Cijfer of getal?
Een cijfer is één teken: `0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9`.
Een getal kan uit één of meer cijfers bestaan.
Voorbeelden:
`7` is een cijfer én een getal
`15` is een getal met twee cijfers
`100` is een getal met drie cijfers
Benadruk dat leerlingen in het dagelijks taalgebruik deze woorden vaak door elkaar gebruiken, maar dat het onderscheid helpt bij lezen en schrijven van getallen.
De cijfers 0 tot en met 9
Met deze tien cijfers maak je alle getallen.
0 betekent geen aantal
1 t/m 9 zijn de basis
cijfers kunnen alleen staan of samen een groter getal vormen
Noem eventueel dat 0 voor veel NT2-leerlingen extra aandacht vraagt, omdat het tegelijk een symbool en een betekenis heeft: nul = niets.
Woordenlijst
cijfer - een teken van 0 tot en met 9
getal - een hoeveelheid of nummer, geschreven met één of meer cijfers
telrij - de vaste volgorde van getallen bij het tellen
tiental - een groep van tien
eenheid - wat overblijft naast de tientallen
hoeveelheid - het aantal dingen of personen
hardop benoemen - een getal luid uitspreken
Deze slide heeft geen instructies
De telrij tot 100
De telrij loopt stap voor stap omhoog.
1, 2, 3, 4, 5 ...
10, 11, 12 ...
20, 21, 22 ...
30, 40, 50 ...
... tot en met 100
Bij tellen komt er steeds één bij.
Leg de nadruk op de regelmaat in de telrij. Laat zien dat leerlingen patronen kunnen herkennen, vooral bij de tientallen.
Patronen in de telrij
In de telrij zie je vaste patronen.
na 19 komt 20
na 29 komt 30
na 39 komt 40
elk nieuw tiental begint opnieuw met 0 t/m 9
100 komt na 99
Dit is een belangrijke opstap naar tweecijferige getallen. Wijs op de overgang van eenheden naar een nieuw tiental.
Tientallen en eenheden
Een tweecijferig getal bestaat uit tientallen en eenheden.
in 34 is 3 het aantal tientallen
in 34 is 4 het aantal eenheden
34 = 30 + 4
in 80 zijn er 8 tientallen en 0 eenheden
Gebruik duidelijke voorbeelden. 80 is nuttig omdat leerlingen zien dat een 0 op de eenhedenplaats betekenis heeft.
Wat is het verschil tussen een cijfer en een getal?
Een cijfer is één teken
Een getal is altijd één teken
Een cijfer is altijd groter
Een getal heeft altijd twee cijfers
Toetst het kernonderscheid uit slides 2-3. Veelgemaakte fout: denken dat elk getal uit twee cijfers bestaat.
Van 0 tot 10
0 nul
1 één
2 twee
3 drie
4 vier
5 vijf
6 zes
7 zeven
8 acht
9 negen
10 tien
Deze slide heeft geen instructies
hoe heet het getal?
acht
vijf
tien
vier
Deze slide heeft geen instructies
hoe heet het getal?
twee
vijf
negen
één
Deze slide heeft geen instructies
hoe heet het getal?
één
drie
tien
negen
Deze slide heeft geen instructies
wat is de goede volgorde?
vier acht vijf
vier vijf acht
vier vijf zes
vier één tien
Deze slide heeft geen instructies
Sleepvraag
drie
nul
Deze slide heeft geen instructies
Sleepvraag
10
6
één
vijf
zes
tien
Deze slide heeft geen instructies
Tientallen
10 tien
20 twintig
30 dertig
40 veertig
50 vijftig
60 zestig
70 zeventig
80 tachtig
90 negentig
100 honderd
Deze slide heeft geen instructies
hoe heet het getal?
tachtig
vijftig
honderd
veertig
Deze slide heeft geen instructies
hoe heet het getal?
negentig
vijftig
honderd
tachtig
Deze slide heeft geen instructies
hoe heet het getal?
negentig
zeventig
veertig
dertig
Deze slide heeft geen instructies
hoe heet het getal?
drietig
veertig
dertig
dreitig
Deze slide heeft geen instructies
Honderdtallen
100 honderd
200 tweehonderd
300 driehonderd
400 vierhonderd
500 vijfhonderd
600 zeshonderd
700 zevenhonderd
800 achthonderd
900 negenhonderd
1000 duizend
Deze slide heeft geen instructies
Getallen lezen
Bij het lezen koppel je het geschreven getal aan het gesproken woord.
8 → acht
19 → negentien
40 → veertig
58 → achtenvijftig
100 → honderd
Laat leerlingen verschillen horen tussen tien, twintig, dertig, veertig enzovoort. Uitspraak en herkenning horen hier samen.
Getallen schrijven
Bij het schrijven zet je een gehoord getal om in cijfers.
zes → 6
elf → 11
dertig → 30
tweeënzeventig → 72
honderd → 100
Noem dat correct schrijven belangrijk is in formulieren, adressen, bedragen en tijden.
Van gesproken naar geschreven
Luisteren helpt bij het juist noteren van een getal.
hoor je een tiental? schrijf eerst dat deel
hoor je ook een eenheid? voeg die toe
negenendertig = 39
eenenvijftig = 51
Wijs op mogelijke verwarring door de omgekeerde woordvolgorde in het Nederlands. Herhaal dat de schrijfwijze in cijfers wel van links naar rechts gaat: tientallen, dan eenheden.
Welk getal hoort bij het woord vijfentwintig?
52
15
25
35
Controleert of leerlingen het gesproken woord goed koppelen aan cijfers.
Vul de juiste getallen en woorden in
Bij het lezen koppel je 58 aan achtenvijftig. Bij het schrijven wordt dertig het getal 30. Wie negenendertig hoort, schrijft 39.
Echoot slides 8-10: lezen is van cijfers naar woord, schrijven is van woord naar cijfers.
Getallen en hoeveelheden
Een getal hoort bij een hoeveelheid.
3 appels = drie appels
12 stoelen = twaalf stoelen
25 euro = vijfentwintig euro
Maak duidelijk dat een getal niet alleen een symbool is, maar ook een echte hoeveelheid aangeeft.
Hoeveel is meer of minder?
Met getallen kun je hoeveelheden vergelijken.
8 is meer dan 5
14 is minder dan 20
30 is meer dan 29
50 en 50 zijn evenveel
Vergelijken ondersteunt begrip van de getalvolgorde. Koppel dit terug aan de telrij en tientallen/eenheden.
Getallen in het dagelijks leven
Je gebruikt getallen elke dag.
leeftijd: 18 jaar
huisnummer: 24
aantal: 6 boeken
prijs: 12 euro
Kies voorbeelden die herkenbaar zijn voor de doelgroep. Hou het praktisch en concreet.
Tijd en geld
Ook bij tijd en geld zijn getallen belangrijk.
08:15 is een tijd
17:30 is een tijd
5 euro is een bedrag
49 euro is een bedrag
Bij tijd kun je benoemen dat getallen niet altijd een hoeveelheid aangeven, maar soms een aanduiding of code zijn.
Samenvatting
Tot en met 100 werken getallen op een vaste manier.
cijfers 0 t/m 9 vormen alle getallen
een getal kan uit één of meer cijfers bestaan
tweecijferige getallen hebben tientallen en eenheden
getallen kun je lezen, schrijven en gebruiken
je ziet ze elke dag om je heen
Gebruik deze slide om de centrale lijn van de les af te ronden: herkennen, benoemen, schrijven en toepassen.
Welke vergelijking is juist?
14 is meer dan 20
50 en 49 zijn evenveel
30 is minder dan 29
8 is meer dan 5
Toetst vergelijking van hoeveelheden en volgorde in de telrij.
Vul de juiste woorden in
Getallen gebruik je elke dag. Leeftijd 18 jaar is een getal in een alledaagse situatie. Ook 08:15 is een tijd, en 49 euro is een bedrag.
Verbindt slides 11-15: getallen als hoeveelheid, vergelijking en dagelijks gebruik bij tijd en geld.