Voert dieren leerjaar 2

Voert dieren
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
DierverzorgingMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Voert dieren

Slide 1 - Tekstslide

Inhoud les
1.. Herbivoren, carnivoren, omnivoren
2. Voedingsstoffen
3. Voedingssoorten
4. Kwaliteit en grondstoffen
5. Vocht
6 Voeropname en frequentie
7. Speciale behoefte
8. Tekorten en overschotten

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide


A
Herbivoor
B
Carnivoor
C
Omnivoor
D
Geen van deze

Slide 4 - Quizvraag


A
Herbivoor
B
Carnivoor
C
Omnivoor
D
Geen van deze

Slide 5 - Quizvraag


A
Herbivoor
B
Carnivoor
C
Omnivoor
D
Geen van deze

Slide 6 - Quizvraag


A
Herbivoor
B
Carnivoor
C
Omnivoor
D
Geen van deze

Slide 7 - Quizvraag

Voeding
Opgebouwd uit zes voedingsstoffen:
  • Water,
  • Eiwitten
  • koolhydraten
  • vetten
  • vitaminen
  • mineralen 

Slide 8 - Tekstslide

Volledige voeding
Een volledige voeding is afgestemd op de behoeften van een gezond dier en heeft geen aanvulling nodig.
Het bevat dus de zes voedingsstoffen in de juiste hoeveelheid.
Onvolledig voer heeft dus een aanvulling nodig, bijvoorbeeld orgaanvlees (hart of pens)

Slide 9 - Tekstslide

Voedingssoorten
Voersoort word ingedeeld aan de hand van de hoeveelheid vocht in het voer.  Door voer te verhitten en het water te laten verdamen blijft er een uitgedroogde massa over. Dat is de Droge Stof (d.s.) en hierin zitten de voedingsstoffen.

Droge stof bepaald dus de voedingswaarde van het voedsel.
Voer met een hoog vochtgehalte en een laag gehalte aan droge stof heeft dus een lage voedingswaarde. 

Slide 10 - Tekstslide

Aan de hand van de hoeveelheid vocht in voeding van hond/kat worden de volgende voeders onderscheiden:

Slide 11 - Tekstslide

Droogvoer:
  • bevat 8-10 % water
  • lang houdbaar
  • energiegehalte per gram is hoog
  • Bijvoorbeeld brokken (geperst, extruderen, expanderen)

Natvoer:
  • vochtgehalte van 65-85%
  • Energiegehalte per gram is laaag (veel vocht)
  • Gesloten is het lang houdbaar maar geopend is het beperk houdbaar.
  • bijvoorbeeld in blik, zakjes of kuipjes.
  • Verschillende texturen: paté, mousse, in saus of gelei

Slide 12 - Tekstslide


A
Eiwitten
B
Vetten
C
Koolhydraten
D
Vitamines

Slide 13 - Quizvraag


A
Eiwitten
B
Vetten
C
Koolhydraten
D
Vitamines

Slide 14 - Quizvraag

Kwaliteit van het voer
De kwaliteit van het voer wordt beïnvloed door de grondstoffen of ingrediënten die gebruikt worden.

Slide 15 - Tekstslide

Grondstoffen
Commercieel voer wordt gemaakt van een mengstel van grondstoffen, bijproducten en toevoegingen. 
  • Grondstoffen zijn afkomsting van dieren of planten
  • Bijproducten ontstaan bij de verwerken van grondstoffen voor de humane consumptie
  • Toevoegingen (extra vitamines/mineralen) gaan er (soms) bij om het voer compleete te maken

In Nederland wordt de kwaliteit van deze grondstoffen gegarandeerd. De grondstoffen mogen geen gevaar voor de gezondheid van mens en dier oplereveren, maar de voerfabrikant beslist uiteindelijk zelf welke grondstoffen, in welke verhoudeing en met wel productieproces het voer wordt gemaakt.

Slide 16 - Tekstslide

Dierlijke bijproducten
Dieren (of onderdelen daarvan) die geslacht zijn in een slachthuis (die voldoet aan de EU-wetgeving), maar om commerciële redenen niet voor ons mensen geschikt is, worden gebruikt in voer. Enkele voorbeelden:
  • Huid
  • bloed
  • beenderen
  • veren
  • hoeven

Slide 17 - Tekstslide

Kwaliteit eiwit
Dit wordt aangegeven met: de Biologische Waarde (B.W.)
Deze waarde is hoger als het essentiële aminozuren levert die qua hoeveelheid overeenkomen met de behoefte van het dier. 
Als een grondstof een hoge biologische waarde heeft, is het meestal duurder. Eiwitten van dierlijke oorsprong zijn meestal duurder dan eiwitten uit plantaardige grondstoffen.

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Video

Essentiële voedingsstoffen
Essentieel betekent dat het een voedingsstof is die het dier niet zelf aan kan maken, maar wel nodig heeft om te functioneren. Dit moet dus uit het voer worden gehaald. 

Slide 20 - Tekstslide

Aminozuren
Een aantal aminozuren zijn essentieel. Er zitten verschillen tussen de hond en de kat. In de tabel worden de essentiële aminozuren weergegeven voor hond en kat.

Slide 21 - Tekstslide

Vetten
Vetten zijn opgebouwd uit vetzuren, waarvan een aantal essentieel is. 

Slide 22 - Tekstslide

Verteerbaarheid
De kwaliteit van het voer hangt ook samen met de verteerbaarheid. Dit is het percentage van het voer dat opgenomen wordt via de darmwand. Hoe meer er opgenomen wordt (verteert) hoe beter de kwaliteit. Dit hangst samen met de ingrediënten en grondstoffen van het voer. Grondstoffen met een goede verteerbaarheid zijn vaak afkomstig van dierlijke producten.

Slide 23 - Tekstslide

Eiwitten zijn opgebouwd uit?
A
Koolzuren
B
Aminozuren
C
Vetzuren
D
Ei-zuren

Slide 24 - Quizvraag

Vochtopname

Slide 25 - Tekstslide

Vochtopname
Water is de belangrijkste voedingsstof voor het lichtaam en een dier kan maar kort zonder water. De belangrijkste functies:
  • Transportmiddel (voedings- en afvalstoffen)
  • Oplosmiddel in spijsvertering
  • bouwstof
  • Reguleren lichaamstemperatuur

Slide 26 - Tekstslide

Onbeperkt
Honden en katten moeten altijd over schoon vers drinkwater kunnen beschikken, ofwel onbeperkt kunnen drinken.

Zeker als ze droogvoer krijgen.

Slide 27 - Tekstslide

Voeropname

Slide 28 - Tekstslide

Voeropname
Dit wordt beïnvloed door:
  • voerfrequentie
  • voermethode
  • eigenschappen van de voeding
  • eigenschappen van de hond/kat
  • omgeving

Slide 29 - Tekstslide

Voerfrequentie
Dit gaat over hoe vaak het dier eten krijgt. 
  • Per diersoort verschillend
  • Veel honden kunnen niet onbeperkt gevoerd worden.
  • Katten liever kleine maaltijden per dag
  • Niet iedere kat kan onbeperkt gevoerd worden. 

Slide 30 - Tekstslide

Hoe vaak en hoe veel voeren jullie je hond of kat?

Slide 31 - Open vraag

Voermethode
Dit is de manier waarop er gevoerd wordt. Denk hierbij aan het moment, voeren uit een voerbak, voeren vanaf een schaaltje of anti-schrokbakken (voor te snel etende dieren)

Er bestaan ook voerbakken van verschillende hoogte. Dit is voor de grotere rassen handiger. 

Voerbakken moeten regelmatig schoongemaakt worden.

Slide 32 - Tekstslide

Eigenschappen voeding
Geur, vorm en grootte van de brok is ook van belang bij de voeropname.

Textuur en smaak beïnvloeden ook de acceptatie van het voer. 

Slide 33 - Tekstslide

Eigenschappen dier
Eigenschappen van het dier heeft ook invloed op de voedselopname. Denk hierbij aan:
  • ras
  • leeftijd
  • geslacht
  • conditie
  • gezondheidstoestand
  • ervaringen

Slide 34 - Tekstslide

Omgeving
De omgeving kan de acceptatie van voer positief of negatief beïnvloeden. 
Voorbeelden zijn:
  • Temperatuur
  • aan- of afwezigheid eigenaar
  • aan- of afwezigheid andere dieren
  • leefomstandigheid

Slide 35 - Tekstslide

Omgeving hond
Bij honden heeft het moment van eten ook te maken met hiërarchie. In het wild leefden ze in een roedel waarbij de dominante dieren het eerst eten. Hier moet je binnen een gezin ook rekening mee houden. Een hond krijgt dus te eten nádat het gezin gegeten heeft. 

Slide 36 - Tekstslide

Omgeving kat
Een kat is van nature een solitaire jager en eten. Wanneer je katten tegelijk voert, kan dit een reden zijn om minder/niet te eten. Daarnaast heeft de kat liever 3 ruimtes:
  • Om te rusten
  • om te eten
  • ruimte met een kattenbak

Het overlappen van die ruimtes kan invloed hebben op het eetgedrag.

Slide 37 - Tekstslide

Speciale behoeften
In principe is alle in Nederland verkrijgbare commerciële diervoeding volledige voeding. Het bevat dus in principe alles wat een dier nodig heeft.
Toch is het belangrijk om te kijken naar de specifieke behoefte van een dier.

Slide 38 - Tekstslide

Speciale behoeften
Waarom kijken naar specifieke behoefte van een dier?
  • verschil behoefte (jong/oud)
  • Verschil in activiteit (actieve hond/gezelschapshond)
  • leeftijdsverschillen (senior)
  • Afstemmen op ras 
  • afstemmen op bijvoorbeeld ziektes/afwijkingen

Slide 39 - Tekstslide

Heeft een van jullie een dier met speciale behoefte?

Slide 40 - Open vraag

Puppy- en kittenvoer
Energiebehoefte van pups en kittens ligt een stuk hoger dan die van volwassen dieren. Hier moet je dus de voeding op aanpassen. 
Naast leeftijd kan er bij honden ook verschil zitten in rassen (grootte). Let hier dus op bij het selecteren van voeding. 

Slide 41 - Tekstslide

Seniorenvoer
Een ouder wordend dier heeft ook een andere specifieke voedingsbehoefte. 
  • verminderde energiebehoefte
  • minder goede vertering
  • meer behoefte aan eiwitten
  • makkelijk te kauwen

Slide 42 - Tekstslide

Tekorten en overschotten

Slide 43 - Tekstslide

Tekorten en overschotten
Voeding kan veel invloed hebben op het lichaam. Naast directe invloed op het maag- en darmstelstel, kunnen voedingsstoffen en ingrediënten uit voeding ook invloed hebben of:
  • Gebit
  • immuunsysteem
  • hart- en vaatstelstel
  • huid
  • gewrichten
  • urinewegen

Slide 44 - Tekstslide

Tekorten
Tekort aan voeding of voedingsstoffen kan schadelijk zijn. Lange tijd was er weinig aandacht voor tekorten aan voedingsstoffen in Nederland, met name door de aanwezigheid van de volledige voeding. 

Doordat eigenaren steeds meer zelf voedsel gaan samenstellen, ontstaan er tekorten.  Dit kan leiden tot allerlei ernstige aandoeningen.

Slide 45 - Tekstslide

Overschotten
Overschotten aan voeding leidt tot overgewicht. De gevolgen van overgewicht kunnen zijn:
  • Bewegingsproblemen en gewrichtsaandoeningen
  • Suikerziekte 
  • Slechte conditie van huid/vacht
  • grotere risico's bij operaties
  • verminderde weerstand tegen infectie
  • hart- en vaatziektes
  • ademhalingsproblemen

Slide 46 - Tekstslide