1.8. Spelling

1.8. Spelling

1 / 18
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 18 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

1.8. Spelling

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoel

Ik kan leestekens en aanhalingstekens goed gebruiken en de tegenwoordige tijd van werkwoorden correct schrijven.

De gebruiker noemde ook twintig dicteewoorden. Omdat er geen lijst met die woorden is meegegeven, komt dat onderdeel niet als aparte inhoud terug in deze deck.

Leestekens maken tekst duidelijk

Leestekens helpen de lezer.


  • Ze verdelen tekst in duidelijke zinnen

  • Ze laten zien of iets een vraag of uitroep is

  • Ze maken een tekst rustiger en beter leesbaar

Deze slide heeft geen instructies

Vier belangrijke leestekens

  • Punt (.) — aan het einde van een gewone zin

  • Komma (,) — voor een korte pauze in een zin

  • Vraagteken (?) — aan het einde van een vraag

  • Uitroepteken (!) — bij nadruk, emotie of een bevel

Benadruk dat leestekens niet zomaar versiering zijn: ze veranderen hoe je een zin leest en soms ook wat een zin betekent.

Voorbeelden van leestekens

Komma

Als het regent, blijf ik binnen.


Uitroepteken

Pas op!

Pauze en nadruk

Punt

Ik ga naar huis.


Vraagteken

Ga je mee?

Zin en vraag

Deze slide heeft geen instructies

Aanhalingstekens

Aanhalingstekens zet je voor en na een woord of zin.


Je kunt gebruiken:

  • enkele aanhalingstekens: ‘...’

  • dubbele aanhalingstekens: “...”


Ze laten zien dat woorden precies zo zijn gezegd of apart worden aangehaald.

Dubbele aanhalingstekens (“ ”) worden in de meeste teksten gebruikt om letterlijke citaten weer te geven, zowel uit gesproken als geschreven taal.

Houd het eenvoudig: focus op herkennen en correct plaatsen. Je hoeft hier nog niet alle regels van directe rede uit te werken.

Voorbeelden met aanhalingstekens

  • Sara zei: “Ik kom zo.”

  • Het woord ‘spelling’ is belangrijk in deze les.

  • Er staat steeds één teken aan het begin en één aan het einde.

Deze slide heeft geen instructies

Tegenwoordige tijd enkelvoud

De persoonsvorm in de tegenwoordige tijd enkelvoud heeft twee vormen:


  • de ik-vorm

  • ik-vorm + -t


Welke vorm je kiest, hangt af van het onderwerp in de zin.

Deze slide heeft geen instructies

De stam en de ik-vorm

De stam maak je meestal door van het hele werkwoord -en af te halen.


  • werken → werk → ik werk

  • fietsen → fiets → ik fiets

  • typen → typ → ik typ

Noem dat de stam vaak gelijk is aan de ik-vorm. Gebruik steeds dezelfde termen: infinitief, stam, ik-vorm.

Soms verandert de stam een beetje

Niet elke ik-vorm lijkt precies op de letters van de stam.


  • lopen → lop → ik loop

  • verhuizen → verhuiz → ik verhuis

  • spellen → spell → ik spel


Je schrijft de vorm die je ook echt uitspreekt en kent als ik-vorm.

Dit is een gevoelig punt voor leerlingen. Leg uit dat je niet alleen mechanisch letters wegstreept, maar kijkt naar de juiste geschreven ik-vorm.

Wanneer gebruik je de ik-vorm?

  • bij ik: Ik loop.

  • als je/jij achter de persoonsvorm staat: Verhuis jij? Kom je?

  • bij de gebiedende wijs: Ren! Pas op!

Gewone gevallen

Belangrijke regel bij je

  • geen -t als je vervangen kan worden door jij

  • wel -t als je vervangen kan worden door jouw

Gebruik de vervangproef hardop: Kom je? → Kom jij? dus geen -t. Komt je buurmeisje spelen? → Komt jouw buurmeisje spelen? dus wel -t.

Wanneer gebruik je ik-vorm + -t?

Je gebruikt ik-vorm + -t:


  • bij je of jij vóór de persoonsvorm: Je loopt. Jij wordt kampioen.

  • bij hij, zij, het: Hij bonst. Mijn moeder ziet alles. Het wordt vroeg donker.

Deze slide heeft geen instructies

Tegenwoordige tijd meervoud

Bij meervoud is de persoonsvorm hetzelfde als het hele werkwoord.


  • wij lopen

  • jullie verhuizen

  • de spelers rennen

Koppel dit duidelijk aan het begrip infinitief: in het meervoud schrijf je meestal gewoon het hele werkwoord.

Onregelmatige werkwoorden

Sommige werkwoorden volgen deze regel niet. Bij hij/zij/het krijg je dan niet gewoon ik-vorm + -t.


Deze werkwoorden noem je onregelmatig.

De belangrijkste zijn:

  • hebben

  • zijn

  • kunnen

Geef mondeling voorbeelden als steun, zoals: hij heeft, zij is, het kan. De bron noemt zes onregelmatige werkwoorden, maar werkt alleen deze drie belangrijke uit.

Woordenlijst

leestekens - tekens die zinnen duidelijker en beter leesbaar maken

punt - leesteken aan het einde van een gewone zin

komma - leesteken dat een korte pauze in een zin aangeeft

vraagteken - leesteken aan het einde van een vraag

uitroepteken - leesteken voor nadruk, emotie of een bevel

aanhalingstekens - tekens vóór en na een woord of zin

persoonsvorm - de werkwoordsvorm in de zin die verandert bij ik, jij, hij, wij

Deze slide heeft geen instructies

Woordenlijst

tegenwoordige tijd - werkwoordsvorm die aangeeft dat iets nu gebeurt

enkelvoud - vorm die past bij één persoon of één ding

meervoud - vorm die past bij meer dan één persoon of ding

infinitief - het hele werkwoord, zoals lopen of verhuizen

stam - de basis van het werkwoord zonder -en

ik-vorm - de werkwoordsvorm die je gebruikt bij ik

onregelmatig werkwoord - werkwoord dat niet volgens de gewone regel verandert

Deze slide heeft geen instructies

Evaluatiemomentje!

Deze slide heeft geen instructies

FF spiegelen

Evaluatie les

Evaluatie proces

Werkhouding?

Tempo?

Verzorging?

Zelfstandig?

Leerdoelen:


Deze slide heeft geen instructies