Fictie hag3

Fictie: verhaalanalyse
HAG 3
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 32 slides, met tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Fictie: verhaalanalyse
HAG 3

Slide 1 - Tekstslide

Doel
  • Leren van de begrippen die horen bij verhaalanalyse;
  • het kunnen toepassen van deze begrippen;
  • zelf een analyse kunnen maken van een verhaal of boek.

Uiteindelijk doel:
  • Maken mindmap: De jongen op de berg


Slide 2 - Tekstslide

Begrippen Fictie
  • Verzonnen verhalen
  • personages
  • Tijd en opbouw
  • Ruimte
  • Vertelperspectief
  • Spanning
  • Thema's en motieven

Slide 3 - Tekstslide

Fictie
  • Verzonnen verhalen
  • een verhaal dat zich hoofdzakelijk in de fantasie van de auteur en de lezer afspeelt. 
  • Dit in tegenstelling tot non-fictie, die uitgaat van de feitelijke werkelijkheid. 

Slide 4 - Tekstslide

 Personages
  • Hoofdpersoon 
  • Bijfiguren: tegenstander of helper 
  • Achtergrondfiguren

  • Round of flat characte en types (boze stiefmoeder, dronken zwerver, etc) 

  • Relaties
  • Normen en waarden
  • Eigenschappen

Slide 5 - Tekstslide

Personages
Personages kun je op drie manieren leren kennen:
  • Door wat ze zeggen en doen;
  • Door wat ze denken en voelen;
  • Door wat anderen over hen zeggen of denken.

Hoofdpersonen leer je vaak op alle drie de manieren kennen, bijfiguren niet.

Slide 6 - Tekstslide

Eigenschappen van personages
Personages hebben eigenschappen, net als echte mensen. Aan de hand van deze eigenschappen kun je het karakter van personages beschrijven.

Voorbeelden van eigenschappen:
Betrouwbaar, verlegen, meeloper, driftig, zenuwachtig, spontaan, lui, slim, brutaal, arrogant, kalm, heldhaftig, lief etc.


Slide 7 - Tekstslide

Perspectief en vertelsituaties
  • ik-perspectief
  • personaal perspectief
  • alwetend perspectief
  • meervoudig perspectief

Slide 8 - Tekstslide

Ik-perspectief
  • Je ziet alles door de ogen van de verteller;
  • Geschreven in de ik-vorm;
  • Leert de ik-persoon heel goed kennen;
  • Komt niet te weten wat andere personages voelen of denken.

Slide 9 - Tekstslide

Personaal perspectief
  • Je ziet alles door de ogen van één persoon;
  • Geschreven in de hij- of zij-vorm;
  • Leert de hoofdpersoon goed kennen.

Slide 10 - Tekstslide

Alwetend perspectief
  • De verteller is iemand die alles weet van alle personages;
  • Geschreven in de hij- en zij-vorm;
  • Komt te weten wat alle personages zien, horen, voelen en denken;
  • Verteller weet wat er is gebeurd en wat nog gaat gebeuren.

Slide 11 - Tekstslide

Meervoudig perspectief
  • Je ziet de gebeurtenissen door de ogen van verschillende personages;
  • Je ziet dezelfde gebeurtenissen vanuit verschillende invalshoeken;
  • Kan gebruik worden gemaakt van de ik-vertelsituatie (meerdere ik-figuren, meervoudige ik-vertelsituatie) of van de personale vertelsituatie (meerdere hij- of zij-figuren, meervoudige personale vertelsituatie)

Slide 12 - Tekstslide

Spanning
  • Spanning ontstaat wanneer het een schrijver lukt vragen bij de lezer op te roepen.
    - Dat komt omdat de schrijver iets verzwijgt.
  • Verhalen worden spannend omdat er een geheim of een raadsel is.
  • Datgene wat verzwegen wordt in een verhaal, noem je een open plek.

Slide 13 - Tekstslide

Spanning
  • Open plekken
  • Cliffhanger 
  • Vertraging
  • Flash forward /flashbacks
  • Verhaalbegin: in medias res, post rem
  • Actiespanning / psychologische spanning

Slide 14 - Tekstslide

Trucs om spanning te verhogen

- Gevaarlijke situatie of omgeving

- Vermoedens of verwachtingen

- Vertraging

- Uitstellen

- Onverwachte wending

- Informatievoorsprong

-

Spanningsboog = periode tussen het begin en het einde van de spanning.

Slide 15 - Tekstslide

Tijd en opbouw


- Historische tijd
- Verteltijd / vertelde tijd
- Volgorde en tijd
- Verhaalopbouw

Slide 16 - Tekstslide

Historische tijd
Om te bepalen in welke historische tijd een verhaal zich afspeelt, let je op de volgende zaken:
  • jaartal
  • historische figuren
  • historische gebeurtenissen
  • gewoontes, voorwerpen, kleding en eten
  • omgeving
Sommige verhalen zijn bewust tijdloos

Slide 17 - Tekstslide

verteltijd en vertelde tijd
Verteltijd: de tijd die je nodig hebt om de tekst te lezen.
Vertelde tijd: de tijd die verstrijkt in het verhaal.

Slide 18 - Tekstslide

Verhaalopbouw

In welke volgorde vertelt de schrijver het verhaal? 
Is het verhaal voorspelbaar of juist verrassend?
Heeft het verhaal een open of gesloten einde?
Maakt de schrijver gebruik van flahbacks of flashforwards?



Slide 19 - Tekstslide

Tijd is:
  • chronologisch
  • terugverwijzing/vooruitverwijzing
  • niet chronologisch
  • flasback/flashforward
  • vertraging
  •  versnelling
  • tijdsprong

Slide 20 - Tekstslide

Het begin van een roman
  • ab ovo (vanaf het ei) > normale chronologische volgorde
  • in media res (midden in de zaken) > midden in het verhaal beginnen en daarna pas de voorgeschiedenis vertellen
  • post rem (na de zaak) > het hele verhaal achteraf vertellen

In media res en post rem zijn niet 

Slide 21 - Tekstslide

Thema en motief

  • Thema: diepere bedoeling van een tekst
  • Motieven: verhaalelementen die steeds terugkeren en het thema ondersteunen

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Video

Ruimte
  • De ruimte zorgt voor sfeer en spanning in het verhaal. Hieronder kun je ook bijvoorbeeld het weer of het seizoen scharen.
  • Waar speelt het verhaal zich allemaal af?
  • Sfeer oproepen
  • Thema ondersteunen

Slide 24 - Tekstslide

Ruimte in verhalen
De ruimte zorgt voor sfeer en spanning in het verhaal. Hieronder kun je ook bijvoorbeeld het weer of het seizoen scharen.
Verschillende soorten ruimte:
* De geografische ruimte
* De sfeerscheppende ruimte
          Versterkend
          Contrasterend
* De sociale ruimte
* De symbolische ruimte

Slide 25 - Tekstslide

Ruimte...
Geografische ruimte: de plaats waar de gebeurtenissen in het verhaal zich afspelen is de geografische ruimte. Deze kan werkelijk bestaan, maar ook verzonnen zijn.
Sfeerscheppende ruimte: de beschrijving van de ruimte kan een weergave zijn van de stemming in het verhaal. Dit is de sfeerscheppende ruimte.
Sociale ruimte: personages maken door hun afkomst, beroep, opleiding,… deel uit van een bepaalde sociale groep. Dit is de sociale ruimte van een verhaal.
Symbolische ruimte: een ruimte kan symbolisch zijn voor de gevoelens van het personage of de situatie waarin het personage zich bevindt. We spreken van een symbolische ruimte.

Ruimte: ook weersomstandigheden!

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Video

De opdracht

Jullie maken een literaire mindmap van'De jongen op de berg' van John Boyne.
Gebruik daarbij de begrippen die behandeld zijn.
Cijfer: weging 1x  

Slide 28 - Tekstslide

Wat is een literaire mindmap?
De literaire mindmap is een voornamelijk grafische voorstelling van een gelezen boek of verhaal.
Na het maken van een eigen mindmap zie je in één oogopslag hoe een  gelezen boek/verhaal precies in elkaar zit. 


Slide 29 - Tekstslide

Hoe pak je het aan? (1)

  • In het midden van de literaire mindmap staat de titel van het boek, plus een tekening die het boek typeert.
  • Vanuit dat midden ontspringen acht takken. Elk van die takken heeft een andere kleur.
  • De takken corresponderen met literaire begrippen die we tijdens het lezen zullen behandelen.

Slide 30 - Tekstslide

Hoe pak je het aan? (2)

  • Aan de rechterkant van de mindmap zijn dat (met de klok mee): ‘plot’, ‘personages’, ‘perspectief/vertelsituatie’, ‘tijd’ en ‘ruimte’. Aan de linkerkant zijn dat ‘symbolen’, ‘motieven’ en ‘thema’.
  • De takken worden gevuld met steekwoorden en tekeningetjes. De takken kunnen zelf ook weer vertakken.
  • ​Het formaat van de literaire mindmap is bij voorkeur A3, zodat er genoeg ruimte is voor alle vertakkingen en tekeningen.

Slide 31 - Tekstslide

Succes!
SUCCES!

Slide 32 - Tekstslide