Afweer (Biologie vwo), les 3: Terugblik quiz

ORGANISME · AFWEER

Quiz

Terugblik: Afweer

1 / 15
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met twaalf vragen over ziekteverwekkers, een berekening met delende bacteriën, afweer bij planten, beenmerg en lymfeknoop, geheugencellen, allergie, afstoting bij transplantatie, aangeboren afweer, macrofagen, histamine, MHC-II en afweerremmers.

Onderdelen in deze les

ORGANISME · AFWEER

Quiz

Terugblik: Afweer

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: NIAID / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

Welk type ziekteverwekker is geen cel?

A

Virus

B

Bacterie

C

Schimmel

D

Parasiet

Een virus is geen cel; bacteriën, schimmels en parasieten zijn dat wel. Verwachte fout: bacterie kiezen omdat die erg klein is.

Eén bacterie deelt zich elke 20 minuten. Hoeveel bacteriën zijn er na 1 uur?

A

3 bacteriën

B

6 bacteriën

C

8 bacteriën

D

16 bacteriën

In 1 uur zijn 3 delingen van 20 minuten: 1, 2, 4, 8. Dat is 2 x 2 x 2 = 8. Verwachte fout: 3 of 6 noemen door op te tellen in plaats van te verdubbelen.

Welk voorbeeld is een chemische afweer van een plant?

A

Doornen aan de stengel tegen vraat

B

Giftige stoffen in de bladeren tegen vraat

C

Een dikke laag schors rond de stam

D

Haren op de bladeren tegen vraat

Giftige of bittere stoffen zijn een chemische afweer; doornen, schors en een waslaag zijn mechanisch. Verwachte fout: de waslaag kiezen omdat die een stof is.

Vul in

In het beenmerg ontstaan alle bloedcellen; in een lymfeknoop delen B-cellen en T-cellen zich bij een infectie.

beenmerg
lymfeknoop
lymfe
slijmvlies

Beenmerg maakt bloedcellen, de lymfeknoop is de plek waar afweercellen zich delen. Verwachte fout: lymfeknoop en beenmerg verwisselen.

Jan had waterpokken en wordt er later nooit meer ziek van. Waarom niet?

A

De huid houdt het virus voortaan buiten

B

Macrofagen maken voortaan antistoffen tegen het virus

C

Mestcellen onthouden het virus en geven histamine af

D

Geheugencellen herkennen het virus en reageren snel

Geheugencellen van B-cellen en T-cellen herkennen het antigeen, dus de tweede respons is snel en sterk. Verwachte fout: de aangeboren afweer als verklaring kiezen; die onthoudt niets.

Zet op volgorde: het ontstaan van een allergie

1

Het allergeen bindt opnieuw aan de antistoffen

2

Mestcellen geven histamine af

3

Plasmacellen maken antistoffen tegen het allergeen

4

De antistoffen zetten zich vast op mestcellen

Eerste contact: antistoffen komen op de mestcellen. Volgend contact: binding van het allergeen en afgifte van histamine. Verwachte fout: histamine al bij het eerste contact zetten.

Wanneer is de kans op afstoting van een donororgaan kleiner?

A

Als de acceptor veel antibiotica gebruikt

B

Als de donor een andere bloedgroep heeft

C

Als de acceptor veel geheugencellen heeft

D

Als de MHC-receptoren van donor en acceptor lijken

De cytotoxische T-cellen van de acceptor herkennen minder verschil, dus er is minder afstoting. Verwachte fout: de bloedgroep noemen; een andere bloedgroep vergroot juist het risico.

Wat hoort bij de aangeboren afweer?

A

Heeft receptoren voor één bepaald antigeen

B

Reageert op elke ziekteverwekker op dezelfde manier

C

Vormt geheugencellen na een besmetting

D

Maakt antistoffen tegen één antigeen

De aangeboren afweer is niet-specifiek en heeft geen geheugen. Verwachte fout: geheugencellen noemen; die horen bij de verworven afweer.

Welke cel ruimt in de aangeboren afweer een bacterie op?

A

Plasmacel

B

Cytotoxische T-cel

C

Macrofaag

D

Geheugencel

Een macrofaag neemt ziekteverwekkers op en breekt ze af. Verwachte fout: de plasmacel kiezen omdat die antistoffen maakt; de plasmacel hoort bij de verworven afweer.

Welk middel remt de werking van histamine?

Een antihistaminicum. Verwachte fout: antibioticum noemen; dat werkt tegen bacteriën.

Op welke cellen zit vooral de MHC-II-receptor?

A

Macrofagen en B-cellen

B

Alle cellen met een kern

C

Rode bloedcellen

D

Cytotoxische T-cellen

MHC-II zit vooral op cellen die een antigeen presenteren aan een T-helpercel: macrofagen en B-cellen. Verwachte fout: alle cellen met een kern kiezen; dat geldt voor MHC-I.

Vul in

De acceptor krijgt afweerremmers om afstoting van een donororgaan te voorkomen, maar wordt daardoor gevoeliger voor infecties.

acceptor
afweerremmers
donor
antibiotica

Acceptor en afweerremmers. Verwachte fout: antibiotica invullen; die werken tegen bacteriën en remmen de afweer niet.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

ORGANISME · AFWEER

Goed gedaan!

Goed gedaan. Je kunt nu ziekteverwekkers onderscheiden, de aangeboren en verworven afweer uitleggen en dit toepassen op vaccinatie, transplantatie, bloedgroepen, allergie en planten.

Deze slide heeft geen instructies