NT2 A2 voegwoorden

schrijven / grammatica
Enkelvoudige en samengestelde zinnen
1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

schrijven / grammatica
Enkelvoudige en samengestelde zinnen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen
  • Ik kan een samengestelde zin herkennen

  • Ik kan de onderwerpen en PV's in de zinnen markeren

  • Ik herken het voegwoord in de zin

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Eerst: wat valt je op?
Susan zet het raam open.

Susan zet het raam open, want ze heeft het warm.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

- De persoonsvorm (werkwoord): hoe vinden we die?
- Hoe worden de zinnen aan elkaar 'geplakt'?

Susan zet het raam open.
Susan zet het raam open, want ze heeft het warm.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Enkelvoudige zin

  • Zin met één persoonsvorm

Susan zet het raam open
Samengestelde zin

  • Zin met twee of meer persoonsvormen

Susan zet het raam open, want ze heeft het warm

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voegwoorden
  • Voegwoorden zijn een soort cement.
  • Je kunt met voegwoorden zinnen aan elkaar plakken.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een samengestelde zin heeft altijd één persoonsvorm.
A
juist
B
fout

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een zin met één persoonsvorm noemen we een enkelvoudige zin.
A
juist
B
fout

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Enkelvoudig of samengesteld?

Wat vind je van mijn nieuwe sneakers?
A
Enkelvoudig
B
Samengesteld

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Enkelvoudig of samengesteld?

Als jij de hond uitlaat, ruim ik op.
A
enkelvoudig
B
samengesteld

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Enkelvoudige of samengesteld?

Als je dat liever niet doet, hoor ik het wel.
A
enkelvoudig
B
samengesteld

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Enkelvoudig of samengesteld?

Mijn telefoon gaat elke keer.
A
enkelvoudig
B
samengesteld

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Enkelvoudig of samengesteld?

Wij oefenen met Nederlands, omdat we een toets hebben.
A
enkelvoudig
B
samengesteld

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Enkelvoudig of samengesteld?

Je moet 's avonds op tijd naar bed, als je de volgende dag goed wilt presteren.
A
samengesteld
B
enkelvoudig

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is geen voegwoord?
A
omdat
B
als
C
lopen
D
want

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk voegwoord past in de zin?
Hij zet geld op zijn spaarrekening, ...... hij het niet kan uitgeven.
A
omdat
B
als
C
terwijl
D
zodat

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij heeft al veel geld verdiend, .... het is nog niet genoeg.
A
omdat
B
maar
C
toen
D
dus

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In welke zin staat een fout?
1. Mijn broer geeft een groot feest, omdat hij 18 is geworden.
2. Er komt familie, en er komen ook vrienden.
A
Zin 1
B
Zin 2

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij welk voegwoord hoor ook géén komma?
A
of
B
want
C
zodat
D
nadat

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

NT2 A2 voegwoorden
hoofdzinnen  + bijzinnen

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voegwoorden
Voegwoorden voegen (plakken) twee zinnen aan elkaar.

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

twee hoofdzinnen
Je kan 2 zinnen aan elkaar maken, met de voegwoorden:

Ik houd van appels. Ik houd niet van peren.
en                Ik houd van appels en ik houd niet van peren.

Ik houd van appels. Ik vind ze lekker fris.
want           Ik houd van appels, want ik vind ze lekker fris.


Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ik houd van appels. Ik houd niet van peren.
maar                Ik houd van appels, maar ik houd niet van peren.
Ik houd van appels. Ik eet ze elke dag.
dus                   Ik houd van appels,  dus ik eet ze elke dag.
Ik ga naar school met de bus. Ik ga met de trein.
of                      Ik ga naar school met de bus of ik ga met de trein.

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

maar, want, dus, en, of
maar: je praat over een tegenstelling
Ik wil fietsen, maar hij is gestolen.

want: je geeft een reden
Ik wil fietsen, want het is mooi weer.

dus: je praat over iets wat logisch is na wat gebeurt
Ik wil fietsen, dus ik ga een fiets lenen.

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

maar, want, dus, en, of
en: je praat over 2 dingen
Ik wil fietsen en ik wil televisie kijken.

of: je kunt kiezen tussen 2 dingen
Ik ga fietsen of ik ga televisie kijken.


Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

omdat en als
Omdat en als zijn ook voegwoorden
MAAR: ze staan tussen een hoofdzin en een bijzin. In de bijzin staat het werkwoord achteraan en het onderwerp eerst.

Ik kan vandaag niet werken, omdat ik ziek ben.
Hij is moe, omdat hij veel sport.
Ik ga naar buiten, als het droog is.

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

omdat
Omdat betekent hetzelfde als want. 
De zinsvolgorde is alleen anders.
Met omdat en want geef je een reden.
Je geeft antwoord op de vraag waarom?

Waarom ga je niet werken?
Omdat ik ziek ben. 

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

als
Met als vertel je wanneer iets gebeurt.
Je geeft antwoord op de vraag wanneer?

Wanneer ga je naar buiten?
Als het droog is.
Wanneer gaan jullie naar Parijs?
Als het vakantie is.

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Vul het goede voegwoord in.
Ik drink geen koffie, .... wel thee.
A
en
B
maar
C
want
D
of

Slide 29 - Quizvraag

Antwoord B: maar.


Ik drink geen koffie, .... daar krijg ik maagpijn van.
A
en
B
maar
C
want
D
of

Slide 30 - Quizvraag

Antwoord C: want.

Wil jij koffie ... chocolademelk?
A
en
B
maar
C
want
D
of

Slide 31 - Quizvraag

Antwoord D: of.

Ik drink geen koffie ... ook geen chocolademelk.
A
en
B
maar
C
want
D
of

Slide 32 - Quizvraag

Antwoord A: en.

Ik ga naar de stad en ik koop een nieuwe tas.
A
hoofdzin + hoofdzin
B
hoofdzin + bijzin
C
bijzin + hoofdzin

Slide 33 - Quizvraag

Antwoord A: en.

Ik maak mijn huiswerk, terwijl ik naar muziek luister.
A
hoofdzin + hoofdzin
B
hoofdzin + bijzin
C
bijzin + hoofdzin

Slide 34 - Quizvraag

Antwoord A: en.

Of de mooiste tas afgeprijsd is, moet ik nog gaan onderzoeken.
A
hoofdzin + hoofdzin
B
hoofdzin + bijzin
C
bijzin + hoofdzin

Slide 35 - Quizvraag

Antwoord A: en.

Ik heb al online gezocht naar een tas, maar ik heb geen tas gevonden.
A
hoofdzin + hoofdzin
B
hoofdzin + bijzin
C
bijzin + hoofdzin

Slide 36 - Quizvraag

Antwoord A: en.

Ik heb een nieuwe tas nodig, omdat mijn oude kapot is gegaan.
A
hoofdzin + hoofdzin
B
hoofdzin + bijzin
C
bijzin + hoofdzin

Slide 37 - Quizvraag

Antwoord A: en.

Ik poets mijn tanden, voordat ik ga slapen. 
A
hoofdzin + hoofdzin
B
hoofdzin + bijzin
C
bijzin + hoofdzin

Slide 38 - Quizvraag

Antwoord A: en.

Ik zet een wekker, zodat ik op tijd wakker word.
A
hoofdzin + hoofdzin
B
hoofdzin + bijzin
C
bijzin + hoofdzin

Slide 39 - Quizvraag

Antwoord A: en.

Vandaag ben ik vrij, maar morgen moet ik werken.
A
hoofdzin + hoofdzin
B
hoofdzin + bijzin
C
bijzin + hoofdzin

Slide 40 - Quizvraag

Antwoord A: en.

Je mag deze film zien, tenzij je jonger bent dan zestien jaar.
A
hoofdzin + hoofdzin
B
hoofdzin + bijzin
C
bijzin + hoofdzin

Slide 41 - Quizvraag

Antwoord A: en.

Vul het juiste voegwoord in.
Sam ... Peter gaan naar school.

Slide 42 - Open vraag

Antwoord: en.

Vul het juiste voegwoord in.
Ik neem het medicijn, ...... ik ziek ben.

Slide 43 - Open vraag

Antwoord: en.

De school is dicht, ... het is een vrije dag.

Slide 44 - Open vraag

Antwoord: want.

Zullen we gaan wandelen ... zullen we gaan hardlopen?

Slide 45 - Open vraag

Antwoord: of.

Maak van 2 zinnen 1 zin.
Mijn hobby is lezen. Sara's hobby is volleybal.

Slide 46 - Open vraag

Antwoord: Jan drinkt koffie en Peter drinkt thee.

Maak van 2 zinnen 1 zin.
Wil je naar de bioscoop? Wil je naar het park?

Slide 47 - Open vraag

Antwoord: Wil je koffie of wil je thee?

Maak van 2 zinnen 1 zin.
Wij gaan naar de kantine. De bel gaat.

Slide 48 - Open vraag

Antwoord: Wil je koffie of wil je thee?
SPINNER
Draai het rad. Maak een zin met het voegwoord dat je draait. Elke zin levert 1 punt op. Draai je kies zelf...? Dan kies je zelf een voegwoord
timer
5:00

Slide 49 - Tekstslide

Draai aan het rad en maak een zin met het voegwoord dat naar boven komt. De timer staat op 5 minuten. Leuk om dit als spel met de hele klas te spelen met beurtstokjes.