Woordenschat - 30 september

Welkom 
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 2

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Welkom 

Slide 1 - Tekstslide

Deze les
Terugblik vorige les  
Nakijken opdrachten
Opdracht(en) maken
Quiz vragen 

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
Je leert verschillende manieren om de betekenis van een onbekend woord te vinden.

Slide 3 - Tekstslide

Woordbetekenissen zoeken
  • Synoniem
  • Omschrijving
  • Voorbeeld
  • Tegenstelling
  • Bekend woorddeel

Slide 4 - Tekstslide

Synoniem

Een synoniem is een woord dat wat betreft betekenis (ongeveer) gelijk is aan een of meer andere woorden.

Synoniemen zijn twee of meer verschillende woorden met (ongeveer) dezelfde betekenis.


Soms staat er een synoniem van een onbekend woord in de tekst, je kunt de betekenis van het onbekend woord dan raden.

Slide 5 - Tekstslide

Omschrijving

Een omschrijving is een woord of zijn woorden waarmee verteld wordt wat iets is.


Wanneer er in een tekst een omschrijving van een onbekend woord staat, kan de betekenis hieruit afgeleid worden.



Slide 6 - Tekstslide

Omschrijving
Kijk of de betekenis voor of achter het woord staat

Let op opvallende tekens: (...), -

Slide 7 - Tekstslide

Omschrijving - voorbeelden


journalist - iemand die informatie verzamelt en openbaar maakt op internet, tv of krant


actualiteit - alles wat op dit moment belangrijk is

Slide 8 - Tekstslide

Voorbeeld

Voorbeelden worden in teksten soms gebruikt om onbekende woorden uit te leggen.

Door een voorbeeld in een tekst weet je meteen wat de schrijver bedoeld.


Voorbeelden kunnen voor of na de onbekende woorden worden gebruikt.



Slide 9 - Tekstslide

Voorbeeld - voorbeelden

Voorbeelden zijn te herkennen aan woorden als:

bijvoorbeeld, zo is er...., zoals, denk maar aan, neem, zo.


Vandalisme, zoals het vernielen van bushokjes, is een groot probleem in de stad.



Slide 10 - Tekstslide

Voorbeeld - voorbeelden

Voorbeelden kunnen ook te herkennen zijn aan

een dubbele punt (:)



Wij houden van buitensporten: varen, wandelen, bergbeklimmen en mountainbiken.



Slide 11 - Tekstslide

Tegenstelling

Tegenstelling zijn woorden die elkaars tegengestelde zijn. Soms kun je de betekenis van een onbekend woord raden, omdat de tegenstelling van dat woord in de tekst staat.


Woorden als maar, echter, toch en daarentegen geven aan dat er een tegenstelling wordt genoemd.


Slide 12 - Tekstslide

Benoem een tegenstelling 

Slide 13 - Tekstslide

Bekend woorddeel

Soms kun je de betekenis van een onbekend woord begrijpen doordat je al een deel van het woord kent.


- samenstellingen

- woorden met voorvoegsel

- woorden met achtervoegsel


Slide 14 - Tekstslide

Bekend woorddeel- voorbeelden


samenstellingen: vleesvervanger. Je kent de woorden vlees en vervanger. Je kunt raden wat vleesvervanger betekent.

woorden met voorvoegsel: ongezond. On betekent niet, dus ongezond betekent niet gezond.

woorden met achtervoegsel: gevoelloos. -loos is hetzelfde als zonder. Gevoelloos betekent zonder gevoel.


Slide 15 - Tekstslide

Nakijken
Opdracht 3 & 4  op blz  25-26  

Slide 16 - Tekstslide

Synoniem voor:
afbeeldingen

Slide 17 - Open vraag

Tegenstelling van 'winst'

Slide 18 - Open vraag

Geef een omschrijving van:
bacterie

Slide 19 - Open vraag

Wat is het synoniem van het onderstreepte woord?
Bij die opdracht moet je de uitkomst noteren en ook de berekening opschrijven.

Slide 20 - Open vraag

Geef een voorbeeld van amusement:

Slide 21 - Open vraag

Tegenstelling van 'dicht'

Slide 22 - Open vraag

Gebruik de woordraadstrategie 'zoek een bekend woorddeel'.
Wat betekent het woord draadloos?

Slide 23 - Open vraag

Gebruik de woordraadstrategie 'zoek een bekend woorddeel'.
Wat betekent het woord onbetaald?

Slide 24 - Open vraag

Geef een duidelijke omschrijving van
articuleren.

Slide 25 - Open vraag

Op welke manieren kan je de betekenis van een onbekend woord vinden?

Slide 26 - Woordweb

Is er iets wat je nog niet zo goed begrijpt?

Slide 27 - Open vraag