Behoeften en schaarste (Economie vmbo), les 2: Examentraining

CONSUMPTIE · BEHOEFTEN

Examentraining

Behoeften en schaarste: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met casusvragen over soorten behoeften en goederen, prioriteiten stellen met geld, schaarste of zeldzaamheid en voorzieningen, ruil en geld.

Onderdelen in deze les

CONSUMPTIE · BEHOEFTEN

Examentraining

Behoeften en schaarste: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Michiel1972 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

CONSUMPTIE · BEHOEFTEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over behoeften, goederen, schaarste, ruil en geld beantwoorden met een casus.

Deze slide heeft geen instructies

CONSUMPTIE · BEHOEFTEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: de casus. Wie is de consument en wat wil hij of zij?

  • 2. Zoek: het begrip dat past: behoefte, goed of dienst, schaarste, ruil of geld.

  • 3. Kies: het antwoord en controleer of de andere opties echt niet kloppen.

  • 4. Controleer: reken bedragen twee keer na en zet de eenheid erbij.

Deze slide heeft geen instructies

CONSUMPTIE · BEHOEFTEN

Tweedehands fietsen te koop voor een winkel (zwart-witfoto)

Vraagtype 1: soorten behoeften en goederen

  • Lees wat iemand wil of koopt.

  • Is het nodig om te leven (basisbehoefte) of extra (overige behoefte)?

  • Is het een goed of dienst, en gaat het op (verbruiksgoed) of mee (gebruiksgoed)?

Veelgemaakte fout: alles wat leuk is een basisbehoefte noemen. Image credit: Anefo / Nationaal Archief, Wikimedia Commons, CC0

Mo neemt een abonnement op een streamingdienst. Wat voor behoefte is dat?

A

Een basisbehoefte

B

Een zelfvoorziening

C

Een collectieve voorziening

D

Een overige behoefte

Streamen heb je niet nodig om te leven: overige behoefte.

Esra koopt sportschoenen. Wat voor soort product is dat?

A

Een dienst die ze gebruikt

B

Een goed dat langer meegaat: een gebruiksgoed

C

Een goed dat opgaat: een verbruiksgoed

D

Een collectieve voorziening

Schoenen zijn een goed en gaan langer mee: gebruiksgoed.

CONSUMPTIE · BEHOEFTEN

Wensen van Sam met prijzen

Vraagtype 2: prioriteiten stellen met geld

  • Tel eerst de basisbehoeften op.

  • Trek het totaal af van het bedrag dat je hebt.

  • Kijk wat er overblijft voor overige behoeften.

Sam heeft 60 euro. Lunch 25 + treinkaartje 20 = 45 euro. 60 - 45 = 15 euro over. Image credit: LessonUp Studio (eigen tabel), CC0

Sam betaalt eerst de lunch en het treinkaartje. Hoeveel euro houdt hij over?

A

35 euro

B

40 euro

C

15 euro

D

45 euro

25 + 20 = 45 en 60 - 45 = 15. Verwachte fouten: maar één kostenpost aftrekken (35 of 40) of het totaal van de basisbehoeften geven (45).

Wat kan Sam met het overgebleven geld kopen?

A

Geen van beide wensen: er is te weinig geld

B

Het concertkaartje van 45 euro

C

De sneakers van 70 euro

D

Allebei de wensen

Er is 15 euro over; het concertkaartje kost 45 en de sneakers 70. Er is schaarste.

CONSUMPTIE · BEHOEFTEN

Vraagtype 3: schaarste of zeldzaamheid

  • Schaarste: te weinig middelen voor alle behoeften.

  • Zeldzaamheid: er is maar weinig van een product.

  • Vraag: is er een tekort ten opzichte van wat mensen willen?

Alleen KB en GL/TL.

Lisa heeft 30 euro en wil schoenen van 80 euro. Welk begrip past?

A

Zeldzaamheid: er is weinig van

B

Schaarste: te weinig geld voor haar behoefte

C

Zelfvoorziening: zij maakt het zelf

D

Directe ruil: goed tegen goed

Te weinig geld (30) voor de wens (80): schaarste.

Er bestaan maar 3 exemplaren van een sticker en niemand wil hem. Wat klopt?

A

Schaars, maar niet zeldzaam

B

Zowel zeldzaam als schaars

C

Noch zeldzaam noch schaars

D

Zeldzaam, maar niet schaars

Weinig exemplaren: zeldzaam. Niemand wil hem, dus geen tekort: geen schaarste.

CONSUMPTIE · BEHOEFTEN

Chartaal geld en giraal geld

Vraagtype 4: voorzieningen, ruil en geld

  • Wie maakt het product: jijzelf, een bedrijf of de overheid?

  • Ruil met geld heet indirecte ruil, ruil zonder geld directe ruil.

  • Chartaal geld is contant, giraal geld staat op je bankrekening.

Alleen KB en GL/TL. Image credit: LessonUp Studio (eigen tabel), CC0

Jonas betaalt in de kantine met zijn pinpas. Welk soort geld gebruikt hij?

A

Giraal geld

B

Chartaal geld

C

Zelfvoorziening

D

Directe ruil

Pinnen betekent betalen met geld op de bankrekening: giraal geld.

Dani ruilt zijn game voor de bal van Ruben. Welk soort ruil is dit?

A

Indirecte ruil, met geld als ruilmiddel

B

Een collectieve voorziening

C

Directe ruil, zonder geld

D

Giraal geld

Goed tegen goed, geen geld: directe ruil.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Soorten behoeften en goederen

2

Prioriteiten stellen met geld

3

Schaarste of zeldzaamheid

4

Voorzieningen, ruil en geld

Deze slide heeft geen instructies

CONSUMPTIE · BEHOEFTEN

Tips voor op het examen

  • Zie je bedragen? Reken twee keer na en zet de eenheid erbij.

  • Twijfel tussen schaarste en zeldzaamheid? Vraag: is er te weinig voor wat mensen willen?

  • Pinpas of bankrekening is giraal geld, munten en biljetten zijn chartaal geld.

Deze slide heeft geen instructies