Woordsoorten les 5

3hv woordsoorten
Toets inzien Lezen H1, H2 + De Brug
Overzicht periode 2
Start Gramm. Woordsoorten H1
Nieuwsquiz
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 44 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

3hv woordsoorten
Toets inzien Lezen H1, H2 + De Brug
Overzicht periode 2
Start Gramm. Woordsoorten H1
Nieuwsquiz

Slide 1 - Tekstslide

3hv woordsoorten
Toets inzien
> ik deel je toetsblaadje uit
> opgaven liggen voorin
>ik loop rond voor korte vragen (anders buiten de les)

Slide 2 - Tekstslide

Overzicht periode 2
periode 1 werkwoordspelling (2x)
periode 1 toets lezen (3x)
periode 1 Verhaal flashback (cijfer komt nog) (1x)
periode 2 toets woordsoorten (2x)
periode 2 toets spelling (2x)
periode 2 fictieopdracht bij een leesboek (1x)
periode 2 betoog schrijven (0x)

Slide 3 - Tekstslide

Leesboek kiezen
  • Kies iets wat jou uitdaagt (als leesniveau)
  • - Het moet wel geschreven zijn voor jouw leeftijdscategorie, dus geen 9-12 jarigen.
  • Kies iets wat je interessant lijkt om te lezen
  • Ga naar de mediatheek, de bieb of kijk in de kast in b13
  • De bieb heeft ook een online app met e-boeken 
  • Kies een biek in het Nederlands (mag vertaald zijn)


Slide 4 - Tekstslide

3hv woordsoorten
Nakijken: opdracht 5 en 6 over voegwoord en bijwoord

Slide 5 - Tekstslide

3hv woordsoorten
Nieuwe woordsoorten:
- Betrekkelijk voornaamwoord
- Betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent
Havo-boek: Hoofdstuk 1, Grammatica> woordsoorten blz. 30
Vwo-boek: Hoofdstuk 2, Grammatica> woorsoorten blz. 66

Slide 6 - Tekstslide

Betrekkelijke voornaamwoord + antecedent
(Het betrekkelijk voornaamwoord wijst terug)

Slide 7 - Tekstslide

Allemaal voornaamwoorden
Onbepaald voornaamwoord            >Iemand, niemand, iedereen, ieder, elk, iets, niets, allemaal, het
Betrekkelijk voornaamwoord
Betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent

Persoonlijk voornaamwoord              > ik, je, u, jullie, hen, etc.
Bezittelijk voornaamwoord                 > mijn, jouw, jullie, hun, etc.
Aanwijzend voornaamwoord             > die, deze, dat, zulk etc.  (Dit wijst vooruit!)
Vragen voornaamwoord                      > wie, wat, wat voor, welke?
Wederkerend voornaamwoord         > je (je vergist je), zich (hij stoot zich), ons, haar
Wederkerig voornaamwoord             > elkaar, elkaars

Slide 8 - Tekstslide

Betrekkelijke voornaamwoord 
(betrekkelijke voornaamwoord met ingesloten antecedent)
Wijst terug naar het antecedent.

Antecedent: een woord of groepje woorden dat al eerder is genoemd.

Slide 9 - Tekstslide

Betrekkelijke voornaamwoord 
(betrekkelijke voornaamwoord met ingesloten antecedent)
Wat of dat?

• Dat verwijst naar een onzijdig zelfstandig naamwoord enkelvoud.
Het meisje dat in de rij staat te wachten, is Lotte.

• Wat verwijst naar:
– iets, niets of alles: Wachten is niet iets wat zij graag doet.
– een superlatief: Je geduld bewaren is het beste wat je dan kunt doen.
– een hele zin: Lotte ging naar een andere rij, wat niet slim bleek.


Slide 10 - Tekstslide

Betrekkelijke voornaamwoord 
(betrekkelijke voornaamwoord met ingesloten antecedent)
Soms zit het antecedent als het ware ‘opgesloten’ in het wie en wat.
Wie dat doet, is een stommeling.
Wat hij zei, klinkt redelijk.

Dit is een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent.

Je kunt het vervangen door degene die of dat wat.
Degene die dat doet, is een stommeling.
Dat wat hij zei, klinkt redelijk.

Slide 11 - Tekstslide

Zelfstandig werken 3H1
theorie bestuderen en oefenen
Uit het boek
Lees eerst nog eens uitgebreid de theorie op blz. 30

Maak daarna opdracht 1 t/m 3

Online vind je dit in planning 1 
Dit is hoofdstuk 1, paragraaf Grammatica> woordsoorten
Lees/bekijk de theorie over 'Betrekkelijk voornaamwoord'
Maak daarna opdracht 1 t/m 3

Slide 12 - Tekstslide

Zelfstandig werken 3HVT
theorie bestuderen en oefenen
Uit het boek
Lees eerst nog eens uitgebreid de theorie op blz. 66

Maak daarna opdracht 1 t/m 3

Online vind je dit in 'planning 1'
Dit is Hoofdstuk 2, paragraaf Grammatica> woordsoorten
Lees/bekijk de theorie over 'De woordsoort van wie, die en dat'
Maak daarna opdracht 1 t/m 3

Slide 13 - Tekstslide

Nieuwsquiz
Ga naar Kahoot en log in met je eigen naam.

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Link

Terugblik onbepaald voornaamwoord
In elke zin zit een onbepaald voornaamwoord. Kan jij ze vinden?

  1. Het regent al de hele week.
  2. Niemand weet ervan.
  3. We hebben allemaal een motief.
  4. Ik heb het koud in dit lokaal.
  5. Heb ik iets van je aan of zo?

Slide 16 - Tekstslide

Onbepaald voornaamwoord
In elke zin zit een onbepaald voornaamwoord:

  1. Het regent al de hele week.
  2. Niemand weet ervan.
  3. We hebben allemaal een motief.
  4. Ik heb het koud in dit lokaal.
  5. Heb ik iets van je aan of zo?

Slide 17 - Tekstslide

Verder met voegwoorden
Wat is ook alweer een voegwoord?

Slide 18 - Tekstslide

Verder met voegwoorden
Voegwoorden koppelen
woorden, woordgroepen of zinnen aan elkaar.

Slide 19 - Tekstslide

Verder met voegwoorden
Een samengestelde zin: meer dan één persoonsvorm.

1. Ik ben verdrietig.
2. Het heeft dit jaar nog niet gesneeuwd. 
Ik ben verdrietig, want het heeft dit jaar nog niet gesneeuwd.  
(Hoofdzin + Hoofdzin)

Je koppelt zinnen aan elkaar met voegwoorden.

Slide 20 - Tekstslide

Nevenschikking en onderschikking

Slide 21 - Tekstslide

samengestelde zin, nevenschikking en onderschikking
H+H: Ik ga vanavond vroeg naar bed, want ik ben moe. (nevenschikking)
H+B: Wij zitten gezellig binnen, terwijl het buiten keihard regent.
(Een hoofdzin en een bijzin: onderschikking)



Slide 22 - Tekstslide

Nevenschikkende voegwoorden
vijf:
1. dus
2. en
3. maar
4. of
5. want

Verbinden woorden, woordgroepen of hoofdzinnen.

Slide 23 - Tekstslide

Onderschikkende voegwoorden
Verbinden meestal een bijzin met een hoofdzin. 
Er zijn heel veel onderschikkende voegwoorden.

Ik denk dat ik dit weekend ga wandelen.
Bart vroeg of hij mee mocht eten.
Ik geef je een voldoende, tenzij je niet op komt dagen.
Morgen moet ik naar de kapper, want mijn haar wordt veel te lang.
Ik heb het warm, doordat de verwarming aanstaat.
Als je te laat komt, moet je een briefje halen.

Slide 24 - Tekstslide

voegwoord of

'of' kan onderschikkend en nevenschikkend worden gebruikt:

Bijvoorbeeld:
Hij wil graag weten of hij de toets goed heeft gemaakt. 
Ik maak de toets of ik maak hem niet.



Slide 25 - Tekstslide

Een bijwoord vertelt iets over...

Slide 26 - Tekstslide

Bijwoord
Is een soort restcategorie en kan van alles aangeven.
- zegt iets over een ww (snel typen)
- zegt iets over een bnw (heel leuk truitje)
- zegt iets over een bw (heel erg leuk truitje)
- geeft een plaats aan (hier, daar, links)
- geeft een tijd aan (nu, soms, plotseling)
- alle andere vraagwoorden (waar, hoe, wanneer)
- prullenbak (hoe, wel, ook, toch, nauwelijks)

Slide 27 - Tekstslide

De marathonloper rent snel naar de finish.
De snelle marathonloper finisht.

Slide 28 - Tekstslide

De marathonloper rent snel naar de finish.
De snelle marathonloper finisht.

Slide 29 - Tekstslide

- zegt iets over een werkwoord
Hij typt snel een berichtje.

Max Verstappen kwam erg hard aanrijden.

Slide 30 - Tekstslide

- zegt iets over een bijvoeglijk naamwoord
Dat is een erg mooi boek!

Het Heerenlanden is een heel gezellige  school.


Slide 31 - Tekstslide

- zegt iets over een ander bijwoord
Dat is een heel erg mooi boek!

In mijn vrije tijd kijk ik onwijs veel series.

Slide 32 - Tekstslide

- geeft een tijd aan
Nu wil ik een koekje!

Het huiswerk van morgen is...

Slide 33 - Tekstslide

- geeft een plaats aan
Daar is de nieuwe mediatheek.

Ergens in Nederland kun je een schat vinden.

Slide 34 - Tekstslide

Opdracht 5
1 twee = bep.hoofdtelw
2019 = bep.hoofdtelw
eerste = bep.rangtelw
tweede = bep.rangtelw
2 Alle = onbep.hoofdtelw
sommige = onbep.hoofdtelw
laatste = onbep.rangtelw

Slide 35 - Tekstslide

Oefenen met bijwoord en voegwoord
Maak van De Brug, grammatica, woordsoorten opdracht 6 en 7
(uit het havo-boek)

Morgen:

Toets inzien
Overzicht periode 2
+ start grammatica H1

Slide 36 - Tekstslide

Woordsoorten 4.8
(Zie overzicht achterin je lesboek blz. 180)
Onbepaald voornaamwoord            >Iemand, niemand, iedereen, ieder, elk, iets, niets, allemaal, het
Betrekkelijk voornaamwoord
Betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent

Persoonlijk voornaamwoord              > ik, je, u, jullie, hen, etc.
Bezittelijk voornaamwoord                 > mijn, jouw, jullie, hun, etc.
Aanwijzend voornaamwoord             > die, deze, dat, zulk etc. 
Vragen voornaamwoord                      > wie, wat, wat voor, welke?
Wederkerend voornaamwoord         > je (je vergist je), zich (hij stoot zich), ons, haar
Wederkerig voornaamwoord             > elkaar, elkaars

Slide 37 - Tekstslide

Betrekkelijke voornaamwoord 
(betrekkelijke voornaamwoord met ingesloten antecedent)

Slide 38 - Tekstslide

Betrekkelijke voornaamwoord 
(betrekkelijke voornaamwoord met ingesloten antecedent)
Wijst terug naar het antecedent.

Antecedent: een woord of groepje woorden dat al eerder
                                is genoemd.

Slide 39 - Tekstslide

Betrekkelijke voornaamwoord 
(betrekkelijke voornaamwoord met ingesloten antecedent)
Wat of dat?

• Dat verwijst naar een onzijdig zelfstandig naamwoord enkelvoud.
Het meisje dat in de rij staat te wachten, is Lotte.

• Wat verwijst naar:
– iets, niets of alles: Wachten is niet iets wat zij graag doet.
– een superlatief: Je geduld bewaren is het beste wat je dan kunt doen.
– een hele zin: Lotte ging naar een andere rij, wat niet slim bleek.


Slide 40 - Tekstslide

Betrekkelijke voornaamwoord 
(betrekkelijke voornaamwoord met ingesloten antecedent)
Soms zit het antecedent als het ware ‘opgesloten’ in het wie en wat.
Wie dat doet, is een stommeling.
Wat hij zei, klinkt redelijk.

Dit is een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent.

Je kunt het vervangen door degene die of dat wat.
Degene die dat doet, is een stommeling.
Dat wat hij zei, klinkt redelijk.

Slide 41 - Tekstslide

Herhalen woordsoorten

- lw = de, het, een (hoort bij een znw)
- znw = mensen, dieren, dingen, planten en namen
- bnw = zegt iets over een znw (de lieve hond - de hond is lief)
- vz = kast- en oorlogswoorden (in, naast, met, na, vanwege etc.)
- ww: hww, zww en kww 
hww = helpt een kww of zww om de zin kloppend te maken
zww = belangrijkste werkwoord in een zin met een wwg (ond. doet iets)
kww = belangrijkste werkwoord in een zin met een nwg (ond. is iets) - ZWaBBeLS+HDV

Ik word 16 jaar.
Ik ben 16 jaar geworden.

Dit weekend heeft Kipchoge een record gelopen.

Slide 42 - Tekstslide

Herhalen woordsoorten
- vragend vnw. = wie, wat, welk(e), wat voor een?
- aanwijzend vnw. = die, deze, dit, dat -->
- betrekkelijk vnw. = verwijst terug naar een antecedent die, dat, wie, wat <--
- onbepaald vnw.: verwijst naar een vaag iets of iemand (niet, iets, niemand, men, elk, iedereen)
- hoofdtelwoord: bepaald en onbepaald
geeft een hoeveelheid aan (bepaald = precies, bij onbepaald weet je de hoeveelheid niet)
- rangtelwoord: bepaald en onbepaald
geeft een plaats in een rij aan (podiumwoorden)

- voegwoord = plakt twee zinnen aan elkaar (nevenschikkend plakt twee hoofdzinnen aan elkaar, onderschikkend een hoofd- en bijzin)
- bijwoord
- zegt iets over een ww (snel typen)
- zegt iets over een bnw (heel leuk truitje)
- zegt iets over een bw (heel erg leuk truitje)
- geeft een plaats aan (hier, daar, links)
- geeft een tijd aan (nu, soms, plotseling)
- alle andere vraagwoorden (waar, hoe, wanneer)
- prullenbak (hoe, wel, ook, toch, nauwelijks)

Slide 43 - Tekstslide

Herhaling bijwoord
bijwoord 
- zegt iets over een ww (snel typen)
- zegt iets over een bnw (heel leuk truitje)
- zegt iets over een bw (heel erg leuk truitje)
- geeft een plaats/richting aan (hier, daar, links)
- geeft een tijd aan (nu, soms, plotseling)
- geeft een frequentie aan (hoe vaak)
- geeft een graad aan (in hoeverre)
- geeft een ontkenning aan 
- geeft een hoeveelheid aan 
- alle andere vraagwoorden (waar, hoe, wanneer) (let op: geen wie of wat)
- prullenbak (hoe, wel, ook, toch, nauwelijks)




















Slide 44 - Tekstslide