Afweer en antistoffen (Biologie vmbo), les 1: Uitleg

LICHAAM · AFWEER

Afweer en antistoffen

Examenstof biologie vmbo (GL/TL)

1 / 20
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3,4

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Uitleg over afweer en antistoffen voor GL/TL: antigeen en antistof, antistoffen als diagnostisch middel, het ABO-systeem, de rhesusfactor en de bloedtransfusie, vaccin, serum en antibiotica, natuurlijke bescherming en allergie, transplantatie en auto-immuunziekte. Vier controlevragen, een woordweb en twee afsluitende vragen. Alleen voor GL/TL.

Onderdelen in deze les

LICHAAM · AFWEER

Afweer en antistoffen

Examenstof biologie vmbo (GL/TL)

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: BI/V/1, specificatie 1 tot en met 5 (alleen GL/TL). Image credit: SELF Magazine / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

LICHAAM · AFWEER

Wat ga je kunnen?

Ik kan uitleggen hoe antistoffen je beschermen en bloedgroepen, vaccins en antibiotica gebruiken in een opgave.

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet je al over ziek worden en weer beter worden?

Verwacht: virus, bacterie, koorts, vaccin, prik, medicijnen, antibiotica, afweer. Koppel de woorden aan de les: antigeen, antistof, vaccin, antibioticum. Veelgemaakte misvatting: dat een antibioticum tegen elke ziekte helpt. Verwijs ook terug naar de les over bloed en bloedsomloop: witte bloedcellen en bloedplasma kwamen daar al aan bod.

Een antistof past bij een antigeen, een andere antistof niet

LICHAAM · AFWEER

Antigeen en antistof

  • Een antigeen is een lichaamsvreemde stof die je lichaam antistoffen laat maken.

  • Een antistof is een eiwit dat past bij maar één soort antigeen, als een sleutel in een slot.

  • Antistoffen zitten opgelost in je bloedplasma. Een deel van je witte bloedcellen maakt ze.

  • Past de antistof, dan bindt hij aan het antigeen en maakt de ziekteverwekker onschadelijk.

Alleen GL/TL: dit onderwerp (BI/V/1) staat niet in het examenprogramma van BB en KB. Syllabus BI/V/1, specificatie 1 en 2: de manier waarop het lichaam zich beschermt tegen antigenen door middel van antistoffen. Witte bloedcellen en bloedplasma zijn eerder behandeld in de les over bloed en bloedsomloop, hier alleen de koppeling aan antistoffen. De tekening toont boven een antistof die past en onder een antistof die niet past. Veelgemaakte fout: denken dat een antistof tegen alle ziekteverwekkers werkt. Elke antistof past bij één antigeen. Image credit: Eigen tekening

LICHAAM · AFWEER

Welke antigenen zijn er?

  • Antigenen zijn onder andere virussen, bacteriën en schimmels.

  • Ook lichaamsvreemde cellen en stoffen zijn antigenen, bijvoorbeeld de cellen van een donororgaan.

  • Op je rode bloedcellen zitten bloedgroepantigenen: die horen bij het ABO-systeem en de rhesusfactor.

  • Je lichaam laat je eigen cellen normaal met rust.

Alleen GL/TL: dit onderwerp (BI/V/1) staat niet in het examenprogramma van BB en KB. Syllabus BI/V/1, specificatie 1: virussen, bacteriën, schimmels, lichaamsvreemde cellen en stoffen en bloedgroepantigenen (ABO-systeem en rhesus). Wat een virus, bacterie en schimmel zijn, is bekend uit eerdere lessen. Veelgemaakte fout: denken dat alleen ziekteverwekkers antigenen zijn. Ook een vreemd orgaan of vreemd bloed heeft antigenen.

LICHAAM · AFWEER

Antistoffen als diagnostisch middel

  • Zitten er antistoffen tegen een ziekteverwekker in je bloed? Dan ben je besmet geweest of nu nog besmet.

  • Dat geldt ook voor landbouwhuisdieren, zoals koeien en kippen. Pas op: na een vaccinatie zitten er ook antistoffen in het bloed.

  • Met antistoffen herken je een onbekend antigeen: kijk bij welke antistoffen de bacteriën gaan klonteren.

  • Antistoffen tegen mensenbloed reageren sterker met bloed van verwante diersoorten. Sterke reactie betekent nauwe verwantschap.

Alleen GL/TL: dit onderwerp (BI/V/1) staat niet in het examenprogramma van BB en KB. Syllabus BI/V/1, specificatie 2 en 3: de aanwezigheid van antistoffen in verband brengen met een besmetting van mens of landbouwhuisdier, en antistoffen als diagnostisch middel voor verwantschapsstudies en de identificatie en karakterisering van onbekende antigenen. Bij het examen krijg je gegevens op schrift die je verwerkt. In de training oefenen we dat met een tabel en een grafiek. Veelgemaakte fout: antistoffen in het bloed altijd zien als bewijs van een actieve ziekte. Het bewijst alleen dat het lichaam in aanraking is geweest met het antigeen, door besmetting of vaccinatie.

Vul in

Een antistof past bij maar één soort antigeen, als een sleutel in een slot.

antistof
antigeen
serum
vaccin

Antistof past bij één soort antigeen. Verwachte fout: de twee woorden omdraaien, of denken dat een antistof bij alle antigenen past.

In welk deel van het bloed zitten antistoffen opgelost?

A

In het bloedplasma

B

In de rode bloedcellen

C

In de bloedplaatjes

D

In de hartspier

Antistoffen zijn eiwitten die opgelost zijn in het bloedplasma. Verwachte fout: rode bloedcellen kiezen, die dragen bloedgroepantigenen maar geen antistoffen.

Antigenen op de rode bloedcellen en antistoffen in het plasma per bloedgroep

LICHAAM · AFWEER

Het ABO-systeem

  • Op je rode bloedcellen zit antigeen A, B, allebei of geen: zo ontstaan bloedgroep A, B, AB en O.

  • In je bloedplasma zitten antistoffen tegen de antigenen die je zelf niet hebt.

  • Bloedgroep A heeft anti-B, bloedgroep B heeft anti-A en bloedgroep O heeft allebei.

  • Bloedgroep AB heeft geen antistoffen tegen A of B.

Alleen GL/TL: dit onderwerp (BI/V/1) staat niet in het examenprogramma van BB en KB. Syllabus BI/V/1, specificatie 1 en 3: bloedgroepantigenen (ABO-systeem en rhesus). Alleen het ABO-systeem met vier bloedgroepen, niet de erfelijkheid ervan. Zet bij de tekening eerst de rode bloedcel en daarna het plasma in beeld. Veelgemaakte fout: denken dat je de antistoffen hebt van je eigen antigeen. Het is precies andersom: je hebt antistoffen tegen het antigeen dat je zelf niet hebt. Image credit: Eigen tekening

Een kaart voor bloedgroepbepaling met drie vakjes

LICHAAM · AFWEER

Bloedgroep bepalen

  • Een laborant druppelt bloed in drie vakjes met anti-A, anti-B en anti-D.

  • Past de antistof bij een antigeen op de rode bloedcellen, dan gaan de cellen klonteren.

  • Klontering bij anti-A: bloedgroep A. Bij anti-B: B. Bij allebei: AB. Bij geen van beide: O.

  • Klontering bij anti-D: je hebt de rhesusfactor, een antigeen op je rode bloedcellen (Rh+). Anders: Rh-.

Alleen GL/TL: dit onderwerp (BI/V/1) staat niet in het examenprogramma van BB en KB. Syllabus BI/V/1, specificatie 3: bloedgroepbepaling (ABO-systeem en rhesus) als diagnostisch middel. Op de kaart: klontering bij anti-A en anti-B en geen klontering bij anti-D betekent bloedgroep AB, Rh-. De letter D is de aanduiding van de rhesusfactor in het laboratorium. Veelgemaakte fout: denken dat klontering bij anti-A bloedgroep B betekent. Klontering bij anti-A betekent dat antigeen A aanwezig is. Image credit: Eigen tekening

Welke donor mag bloed geven aan welke ontvanger (ABO-systeem)

LICHAAM · AFWEER

Bloedtransfusie

  • Bij een bloedtransfusie krijgt een ontvanger bloed van een donor. De tabel toont wie wie mag geven.

  • Past het bloed niet, dan binden antistoffen van de ontvanger aan de donorcellen: die klonteren.

  • Klonters kunnen bloedvaatjes verstoppen. Een verkeerde transfusie is dus levensgevaarlijk.

  • Een Rh- ontvanger krijgt liefst Rh- bloed, anders gaat het lichaam antistoffen maken tegen de rhesusfactor.

Alleen GL/TL: dit onderwerp (BI/V/1) staat niet in het examenprogramma van BB en KB. Syllabus BI/V/1, specificatie 3: bloedgroepbepaling en bloedtransfusie (ABO-systeem en rhesus). In de tabel staan alleen de ABO-bloedgroepen: een ontvanger mag bloed krijgen van een donor als de ontvanger geen antistoffen heeft tegen de antigenen van de donor. Bloedgroep O heeft geen A- of B-antigeen, dus past bij elke ontvanger voor het ABO-systeem. Veelgemaakte fout: denken dat een Rh- ontvanger bij de eerste keer Rh+ bloed meteen ziek wordt. Het lichaam gaat dan eerst antistoffen maken. Dat is bij een volgende transfusie gevaarlijk. Image credit: Eigen tekening

Zet op volgorde: een verkeerde transfusie

1

Antistoffen van de ontvanger binden aan het donorbloed

2

De klonters kunnen bloedvaatjes verstoppen

3

De ontvanger krijgt bloed met een ander antigeen

4

De rode bloedcellen van de donor klonteren

Verkeerd bloed, binding van antistoffen, klontering, verstopping. Verwachte fout: klontering voor de binding zetten. Eerst binden de antistoffen, daarna klonteren de cellen.

Een kuiken krijgt een vaccin

LICHAAM · AFWEER

Vaccin en serum bij mens en dier

  • Met een vaccin krijg je een verzwakte of dode ziekteverwekker, of een deel ervan.

  • Je lichaam maakt dan zelf antistoffen: actieve immunisatie. De bescherming duurt lang.

  • Een serum bevat kant-en-klare antistoffen, bijvoorbeeld na een slangenbeet: passieve immunisatie.

  • Een serum werkt direct, maar niet lang. Ook dieren, zoals dit kuiken, krijgen vaccins en sera.

Alleen GL/TL: dit onderwerp (BI/V/1) staat niet in het examenprogramma van BB en KB. Syllabus BI/V/1, specificatie 4: actieve en passieve immunisatie en de toepassing van vaccins en sera bij mensen en landbouwhuisdieren. Bij actieve immunisatie maakt het lichaam zelf antistoffen, bij passieve immunisatie krijgt het ze toegediend. Een serum voor een slangenbeet bevat antistoffen die in een dier zijn gemaakt. Veelgemaakte fout: vaccin en serum door elkaar halen. Een vaccin lokt eigen antistoffen uit, een serum bevat de antistoffen zelf. Image credit: US Army Africa / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

LICHAAM · AFWEER

Antibiotica en natuurlijke bescherming

  • Antibiotica bestrijden bacteriën. Tegen een virus, zoals het griepvirus, helpt een antibioticum niet.

  • Natuurlijke bescherming krijg je vanzelf. Door een besmetting, bijvoorbeeld met waterpokken, maakt je lichaam zelf antistoffen.

  • Een baby krijgt antistoffen van de moeder via moedermelk. Die bescherming duurt niet lang.

  • Een vaccin of serum is kunstmatige bescherming: een arts of dierenarts geeft het.

Alleen GL/TL: dit onderwerp (BI/V/1) staat niet in het examenprogramma van BB en KB. Syllabus BI/V/1, specificatie 4: gebruik van antibiotica, en de natuurlijke manieren om de bescherming te verhogen: besmetting met een ziekteverwekker en moedermelk. Veelgemaakte fout: denken dat een antibioticum helpt tegen een virus of dat het een soort vaccin is. Een antibioticum doodt bacteriën of remt ze. Het maakt geen antistoffen aan.

Stuifmeelkorrels onder de elektronenmicroscoop (kleuren zijn toegevoegd)

LICHAAM · AFWEER

Als de afweer te veel of verkeerd werkt

  • Bij een allergie reageert je afweer op een onschadelijke stof, zoals stuifmeel.

  • Bij een transplantatie ziet je afweer het donororgaan als lichaamsvreemd en kan het afstoten.

  • Bij een auto-immuunziekte valt je afweer eigen cellen aan, bijvoorbeeld bij reumatoïde artritis.

  • Het stuifmeel op de foto is een stof waar sommige mensen allergisch voor zijn.

Alleen GL/TL: dit onderwerp (BI/V/1) staat niet in het examenprogramma van BB en KB. Syllabus BI/V/1, specificatie 5: uitleg geven bij allergieën, transplantaties en auto-immuunziekten binnen de context van bescherming en antistoffen. De foto toont stuifmeel onder de elektronenmicroscoop. Bij reumatoïde artritis valt de afweer de eigen gewrichten aan. Veelgemaakte fout: denken dat een allergie een besmetting is. Er is geen ziekteverwekker: de afweer reageert op een stof die onschadelijk is. Image credit: Dartmouth Electron Microscope Facility / Wikimedia Commons, publiek domein

Vul in

Na een vaccin maakt je lichaam zelf antistoffen. Dat heet actieve immunisatie.

vaccin
antistoffen
actieve
passieve
serum

Vaccin, antistoffen, actieve. Verwachte fout: passieve invullen, dat is immunisatie met kant-en-klare antistoffen uit een serum.

Wat vond je vandaag het lastigst?

1

Antigeen en antistof

2

Bloedgroepen en bloedtransfusie

3

Vaccin, serum en antibiotica

4

Allergie, transplantatie en auto-immuunziekte

Gebruik de uitslag om het onderdeel nog eens met de tekening of tabel te bespreken.

Welk onderdeel kun je nu het best uitleggen?

Geen vast goed antwoord. Laat leerlingen het onderdeel kort uitleggen aan hun buurman of buurvrouw en koppel het aan antigeen en antistof.

LICHAAM · AFWEER

Begrippen (1/2)

  • antigeen: Lichaamsvreemde stof die je lichaam antistoffen laat maken, zoals een virus of een bacterie.

  • antistof: Eiwit in je bloedplasma dat past bij één antigeen en de ziekteverwekker onschadelijk maakt.

  • ABO-systeem: Bloedgroepen A, B, AB en O, bepaald door antigeen A en B op de rode bloedcellen.

  • rhesusfactor: Antigeen op rode bloedcellen: met de rhesusfactor ben je Rh+, zonder ben je Rh-.

  • bloedtransfusie: Een ontvanger krijgt bloed van een donor.

Deze slide heeft geen instructies

LICHAAM · AFWEER

Begrippen (2/2)

  • actieve immunisatie: Je lichaam maakt zelf antistoffen, bijvoorbeeld na een vaccin.

  • passieve immunisatie: Je krijgt antistoffen toegediend, bijvoorbeeld met een serum.

  • vaccin en serum: Vaccin: verzwakte of dode ziekteverwekker. Serum: kant-en-klare antistoffen.

  • antibiotica: Middelen tegen bacteriën. Ze werken niet tegen virussen.

  • allergie, transplantatie, auto-immuunziekte: Afweer reageert op een onschadelijke stof, een donororgaan of je eigen cellen.

Deze slide heeft geen instructies