spreekwoorden

spreekwoorden en gezegden
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

spreekwoorden en gezegden

Slide 1 - Tekstslide

Spreekwoorden
  • Wie weet wat een spreekwoord is?
  •  En wie kent er een Nederlands spreekwoord?

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Welk spreekwoord ken jij?

Slide 5 - Woordweb

Slide 6 - Tekstslide

Kenmerken spreekwoord
  - Een spreekwoord is een korte, krachtige uitspraak die een waarheid of wijsheid  over het leven bevat.
 - Een spreekwoord is een zin, altijd in de tegenwoordige tijd, die een mededeling doet. Een spreekwoord is nooit een vraag.
 - Het maakt onze taal mooier en kleurrijk
 - Je kunt iets minder 'direct' zeggen
 - Verbonden met cultuur






Slide 7 - Tekstslide

Allereerst een paar Afrikaanse spreekwoorden:

  1. De toekomst is zwanger en niemand weet wat zij gaat baren.
  2. Als je een steen naar God gooit, valt hij boven op je hoofd.
  3. Je moet eerst 1 dag tellen, eer je er 2 telt.
  4. Als je mond in een mes veranderd, snijdt het je lippen door.

Slide 8 - Tekstslide

Een paar uit Turkije:

  1. Een kalf zoek je niet onder een os.
  2. Een haan die op ongepaste tijden kraait, onthoofd men.
  3. Als vrijgezel, ben je als een sultan.
  4. 1 hand heeft niets, 2 handen hebben geluid.

Slide 9 - Tekstslide

En nog een paar uit Duitsland
  1. Wie veel praat, moet veel drinken.
  2. Een goed geweten is als een zacht kussen.
  3. Als je je bed opmaakt, moet je gaan liggen.

Slide 10 - Tekstslide

letterlijk en figuurlijk taalgebruik

Figuurlijk betekent dat je met woorden iets anders bedoelt dan je letterlijk zegt.
 
Letterlijk betekent dat je met woorden precies zegt wat je bedoelt.

Slide 11 - Tekstslide

Beeldspraak
Een gedachte of begrip in de taal uitgesproken als een beeld.

Hij eet als een slootgraver
=
Hij eet heel erg veel.

Slide 12 - Tekstslide

Metafoor
Is een vorm van beeldspraak: je gebruikt een woord of beeld voor iets anders, waarmee het een overeenkomst vertoont.

Voorbeeld: Hij is zo sterk al een beer
Snoeien in de begroting = bezuinigen

Slide 13 - Tekstslide

1

Slide 14 - Video

2. Nu je dit filmpje hebt gezien, wat is volgens jou letterlijk en figuurlijk taalgebruik?

Slide 15 - Open vraag

3. Wat bedoelen wij met het spreekwoord "de appel valt niet ver van de boom"?
A
Dat kinderen wat betreft hun karakter en uiterlijk op hun ouders lijken
B
De appel valt altijd in jouw tuin
C
De appel ligt altijd vlakbij de boom
D
Dat iemand gezond eet

Slide 16 - Quizvraag

4. De hond in de pot vinden
A
Je bent te laat en het eten is aan de hond gegeven.
B
De hond heeft het eten uit de pan gestolen.
C
Er is geen eten meer over
D
Zo laat thuiskomen dat alle gezinsleden al hebben gegeten en er geen eten meer over is.

Slide 17 - Quizvraag

5. Als de kat van huis is dansen de muizen op tafel

A
Mensen zijn geneigd dingen te doen die anders niet mogen, wanneer de persoon met gezag afwezig is.
B
Wanneer er geen kat in huis is heb je last van muizen
C
Er zijn veel muizen op tafel wanneer er geen kat in huis is.

Slide 18 - Quizvraag

6. Geen blad voor de mond nemen

A
Je mond houden
B
Niet toegeven
C
Zeggen wat je van iets vindt
D
met iemand meepraten

Slide 19 - Quizvraag


7. De stoute schoenen aantrekken
A
Je mening geven
B
Boos reageren naar een ander
C
Dingen doen die niet mogen
D
Durven aan iets te beginnen wat moeilijk of spannend is

Slide 20 - Quizvraag


8. De beste stuurlui staan aan wal.
A
Het plan slim spelen
B
Weten wat je moet doen
C
Het is makkelijk commentaar te geven als je zelf niks hoeft te doen
D
Het beter weten dan de ander

Slide 21 - Quizvraag


9. De wind van voren krijgen
A
Tegenslagen hebben
B
Iemand oplichten
C
Iemand geeft scherpe, confronterende kritiek
D
Iemand moed inspreken

Slide 22 - Quizvraag


10. Er schuilt een addertje onder het gras
A
Het wel vertrouwen
B
Het lijkt mooi, maar er zijn verborgen problemen
C
Er is niets van te begrijpen
D
Het kan altijd misgaan

Slide 23 - Quizvraag

11. Met de gebakken peren zitten.
A
Iets belangrijks, een kans mislopen.
B
Iets zeggen wat men niet had moeten zeggen.
C
Met de vervelende gevolgen van iets blijven zitten.
D
Veel geluk hebben

Slide 24 - Quizvraag

12. Men moet de dag niet prijzen voor het avond is.
A
Een leugen komt altijd uit.
B
Als de toestand ondraaglijk wordt, komt er vaak hulp.
C
Men moet niet uitgaan van succes, als iets nog mis kan gaan.
D
Je moet vroeg naar bed gaan

Slide 25 - Quizvraag

13. Die het breed heeft, laat het breed hangen.
A
Wie veel geld heeft, kan ook veel uitgeven.
B
Wie te zachtzinnig optreedt, verergert juist het probleem.
C
Doodmoe zijn.
D
Mensen die veel kennis hebben moeten hun kennis delen.

Slide 26 - Quizvraag

14. Het onderspit delven.
A
Verliezen
B
Opgeven
C
Ongrijpbaar
D
Onwetendheid

Slide 27 - Quizvraag

15. Het gaat niet over rozen.
A
Er heerst aldoor armoede.
B
Het gaat gepaard met problemen, het gaat niet probleemloos.
C
Iets belangrijks, een kans mislopen.
D
Het gaat niet over de liefde

Slide 28 - Quizvraag

16. Een kind kan de was doen.
A
Ook als iets onmogelijk lijkt, kan het toch gebeuren.
B
Iets is heel gemakkelijk.
C
Overbodig werk doen.
D
Kinderen kunnen vaak meer dan ze denken

Slide 29 - Quizvraag

17. Op eieren lopen.
A
Langzaam lopen
B
Iets heel voorzichtig doen
C
Iemand boos maken
D
Iets kapot lopen

Slide 30 - Quizvraag

18. Van de wal in de sloot
A
Iemand negeren
B
Niet kunnen zwemmen
C
Iemand niet vergeven
D
Een toestand verergerd

Slide 31 - Quizvraag

19. Man en paard noemen.
A
Liegen
B
onduidelijke uitleg geven
C
Een roddel vertellen
D
Niets verzwijgen

Slide 32 - Quizvraag

20. Door het lint gaan
A
Alles onder controle hebben
B
Ontzettend boos worden, controle verliezen
C
Dronken worden
D
Ongelijk hebben

Slide 33 - Quizvraag

21. Water naar de zee dragen
A
Met iemand een onderneming beginnen
B
Dorst hebben
C
Iets overbodigs doen
D
Ontevreden zijn

Slide 34 - Quizvraag

22. Met je hoofd in de wolken lopen?

A
Betrapt worden
B
zo gelukkig zijn dat je niet goed oplet
C
Chagrijning zijn
D
iets onmogelijks willen

Slide 35 - Quizvraag

Slide 36 - Tekstslide

Opdracht in tweetallen
Werkblad: zoek spreekwoord en betekenis bij elkaar
Gebruik (eerst) GEEN google of AI
Weet je het echt niet? Zoek dan PAS de betekenis op.

Slide 37 - Tekstslide

Klaar?
Verder met FIX Spreken
H1 t/m H3.2 moeten af.

Slide 38 - Tekstslide