Inkomsten, uitgaven en begroten
Inkomsten, uitgaven en begroten
Open vanuit herkenbare situaties: zakgeld, loon van een bijbaan, abonnementen en boodschappen. De les draait om overzicht krijgen in geld dat binnenkomt en uitgaat.
Leerdoel
Ik kan verschillende soorten inkomen en uitgaven herkennen, een eenvoudige begroting opstellen en bedragen omrekenen van week naar maand en andersom.
Deze slide heeft geen instructies
Welke woorden passen volgens jou bij slim omgaan met geld?
Gebruik de reacties om voorkennis op te halen, zoals zakgeld, sparen, inkomsten, uitgaven, budget of begroting.
Inkomsten en uitgaven
Inkomsten zijn bedragen die je ontvangt.
Uitgaven zijn bedragen die je betaalt.
Om slim met geld om te gaan, moet je beide kennen.
Als je uitgaven hoger zijn dan je inkomsten, kom je geld tekort.
Als je inkomsten hoger zijn dan je uitgaven, houd je geld over.
Benadruk het verschil tussen geld dat binnenkomt en geld dat weggaat. Koppel dit aan de basis van een begroting: eerst herkennen, daarna ordenen.
Begroting en budget
Een begroting is een overzicht van verwachte inkomsten en uitgaven voor een komende periode.
Die periode kan een week of een maand zijn.
Met een begroting zie je vooraf of je genoeg geld hebt.
Je budget is het bedrag dat je kunt uitgeven.
Budget = wat er beschikbaar is binnen je begroting.
Maak het onderscheid scherp: een begroting is het overzicht, budget is de ruimte om uit te geven.
Waarom een begroting handig is
geeft overzicht
helpt keuzes maken
voorkomt onverwachte tekorten
laat zien waar je op kunt besparen
Laat zien dat begroten niet alleen voor volwassenen is, maar ook voor leerlingen met zakgeld, kleedgeld of inkomsten uit een bijbaan.
Een eenvoudige begroting
Je zet eerst alle verwachte inkomsten onder elkaar. Daarna noteer je alle verwachte uitgaven. Tot slot vergelijk je beide bedragen. Zo zie je hoeveel geld je overhoudt of tekortkomt.
Noem nog geen uitgebreide rekenstrategie; deze slide legt alleen de structuur van een eenvoudige begroting vast.
Wat is een begroting?
een overzicht vooruit
geld voor later
een soort inkomen
een losse uitgave
De juiste keuze verwijst naar een overzicht van verwachte inkomsten en uitgaven voor een komende periode. 'Geld voor later' kan verward worden met sparen.
Begroting en budget
Een begroting is een overzicht van verwachte inkomsten en uitgaven voor een komende periode. Je budget is het bedrag dat je kunt uitgeven. Als je uitgaven hoger zijn dan je inkomsten, kom je geld tekort.
Controleer of leerlingen het verschil tussen begroting en budget scherp hebben en het verband met tekort begrijpen.
Soorten inkomen
Loon of salaris: geld dat je krijgt voor werk.
Winst: geld dat overblijft nadat kosten van een eigen bedrijf zijn betaald.
Uitkering: geld dat iemand ontvangt via een regeling van de overheid of een instantie.
Niet iedereen heeft hetzelfde soort inkomen.
Gebruik herkenbare voorbeelden: bijbaan voor loon, kleine onderneming voor winst, en een uitkering als inkomen wanneer iemand niet werkt of tijdelijk zonder werk zit.
Voorbeelden van inkomen
loon van een supermarktbaantje
salaris van een vaste baan
winst uit een eigen webshop
een uitkering als inkomen
Benadruk dat de bron van inkomen verschilt, maar dat al deze bedragen aan de inkomstenkant van een begroting staan.
Verschil tussen inkomen herkennen
Loon of salaris krijg je van een werkgever.
Winst hangt af van opbrengsten en kosten.
Uitkering komt niet uit werk of verkoop, maar uit een regeling.
Het soort inkomen bepaalt niet hoe je het uitgeeft, maar wel waar het vandaan komt.
Deze slide heeft geen instructies
Welk voorbeeld hoort bij winst?
huur van een kamer
loon uit bijbaan
geld uit regeling
opbrengst webshop
Winst hoort bij wat overblijft na kosten van een eigen bedrijf. 'Geld uit regeling' verwijst naar een uitkering.
Soorten inkomen herkennen
Loon of salaris krijg je van een werkgever. Winst hangt af van opbrengsten en kosten. Een uitkering komt uit een regeling en niet uit werk of verkoop.
Alle drie de kernbegrippen uit dit blok komen terug in een korte contextzin.
Uitgaven in groepen
Niet alle uitgaven zijn hetzelfde.
Sommige uitgaven komen steeds terug.
Andere doe je bijna elke dag.
Weer andere betaal je maar af en toe.
Daarom delen we uitgaven in drie groepen in.
Deze slide vormt de overgang van inkomen naar uitgaven. Bereid leerlingen voor op de drie categorieën die daarna volgen.
Vaste lasten
Vaste lasten zijn terugkerende uitgaven.
Je betaalt ze op vaste momenten of heel regelmatig.
Voorbeelden: huur, een abonnement en contributie van een sportclub.
Vaste lasten neem je bijna altijd op in een begroting.
Leg uit dat vaste lasten vaak lastig te vermijden zijn, omdat ze al zijn afgesproken.
Huishoudelijke uitgaven
dagelijkse of regelmatige uitgaven
bijvoorbeeld boodschappen
persoonlijke verzorging
uitgaan en cadeautjes
Maak duidelijk dat deze uitgaven vaak wat meer kunnen schommelen dan vaste lasten.
Incidentele uitgaven
Incidentele uitgaven zijn uitgaven die je af en toe doet.
Ze keren niet elke week of maand op dezelfde manier terug.
Voorbeelden: kleding, apparaten of vakantie.
Juist daarom moet je er in een begroting rekening mee houden.
Veel leerlingen vergeten incidentele uitgaven. Benadruk dat ze onregelmatig zijn, maar vaak wel voorspelbaar op langere termijn.
Uitgaven vergelijken
Vaste lasten: terugkerend en vaak afgesproken.
Huishoudelijke uitgaven: dagelijks of regelmatig.
Incidentele uitgaven: af en toe.
Door uitgaven te groeperen, wordt een begroting overzichtelijker.
Deze slide heeft geen instructies
Welke uitgave is een vaste last?
cadeautje
vakantie
abonnement
kleding
Het abonnement is terugkerend. Kleding en vakantie zijn incidenteel; cadeautje past bij huishoudelijke of losse uitgaven.
Uitgaven indelen
Huur en contributie zijn vaste lasten omdat ze terugkeren. Boodschappen en persoonlijke verzorging zijn huishoudelijke uitgaven. Kleding of een apparaat zijn vaak incidentele uitgaven.
Laat leerlingen vooral letten op het verschil tussen terugkerend, dagelijks of af en toe.
Waarom is kleding vaak incidenteel en geen vaste last?
Bespreek dat het vooral gaat om regelmaat: vaste lasten keren afgesproken terug, huishoudelijke uitgaven zijn dagelijks of regelmatig, incidentele uitgaven af en toe.
Van week naar maand
Om een weekbedrag om te rekenen naar een maandbedrag, reken je eerst om naar een jaarbedrag:
weekbedrag x 52 = jaarbedrag
omrekenen van jaarbedrag naar maandbedrag:
Jaarbedrag : 12 = maandbedrag
omrekenen van jaarbedrag naar weekbedrag
jaarbedrag : 52 = weekbedrag
Houd het eenvoudig zoals gevraagd. Je kunt mondeling benoemen dat dit een handige schoolregel is voor eenvoudige begrotingen.
Omrekenen in een begroting
Alle bedragen in een begroting moeten over dezelfde periode gaan.
Je kunt dus niet zomaar een weekbedrag vergelijken met een maandbedrag.
Reken bedragen eerst om naar jaar dan naar maand.
Daarna kun je inkomsten en uitgaven eerlijk vergelijken.
Dit is de functionele reden voor omrekenen: niet de rekentruc zelf, maar zorgen dat bedragen vergelijkbaar worden.
Begroten stap voor stap
kies een periode: week of maand
noteer alle inkomsten
noteer alle uitgaven per soort
reken bedragen om naar dezelfde periode
vergelijk totaal inkomsten en totaal uitgaven
Deze slide brengt de hele les samen in één vaste werkwijze.
Je geeft €15 per week uit. Wat is dat per maand?
€19
€45
€65
€75
Week naar maand is in deze les: vermenigvuldigen met 4.
Waarom moet alles in een begroting dezelfde periode hebben?
Verwachte elementen: kies eerst een periode, noteer inkomsten, noteer uitgaven per soort, reken bedragen om naar dezelfde periode en vergelijk daarna de totalen.
Wat is één ding dat jij uit deze les onthoudt?
Laat leerlingen kort benoemen welk begrip of inzicht is blijven hangen, bijvoorbeeld begroting, budget, soorten inkomen of omrekenen.
Welk onderdeel vond jij het lastigst?
Gebruik de antwoorden om te zien waar herhaling nodig is, bijvoorbeeld bij vaste lasten versus incidentele uitgaven of bij week/maand omrekenen.
Begrippen
inkomsten - bedragen die je ontvangt
uitgaven - bedragen die je betaalt
begroting - overzicht van verwachte inkomsten en uitgaven voor een komende periode
budget - het bedrag dat je kunt uitgeven
loon of salaris - inkomen dat je krijgt voor werk
winst - geld dat overblijft nadat kosten zijn betaald
uitkering - inkomen uit een regeling van de overheid of een instantie
Deze slide heeft geen instructies
Begrippen
vaste lasten - terugkerende uitgaven zoals huur, een abonnement of contributie
huishoudelijke uitgaven - dagelijkse of regelmatige uitgaven zoals boodschappen en persoonlijke verzorging
incidentele uitgaven - uitgaven die je af en toe doet, zoals kleding, apparaten of vakantie
weekbedrag - bedrag dat hoort bij één week
maandbedrag - bedrag dat hoort bij één maand
Deze slide heeft geen instructies