PA1 capítulo 4: samenvatting

Viernes 16-4
¡Vamos al instituto!
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Viernes 16-4
¡Vamos al instituto!

Slide 1 - Tekstslide

Plan de clase
* Samenvatting Hfstk 4
* Oefenen!!!

Let op: vrijdag 23-4 Proefwerk Spaans (telt 2x mee)

Slide 2 - Tekstslide

Toetsstof

Woordjes 

Zinnetjes


Grammatica


Leestekstjes
Wat?

4.1 4.2 4.3 SP-NL  4.4 NL-SP

Frases clave
Zeggen om hoe laat je iets doet (!!)

werkwoord ir en de ontkenning
kloktijden

woordjes goed leren

Slide 3 - Tekstslide

Bron D - Werkwoord 'ir'
1. 'ir' betekent gaan
2. 'ir' is een onregelmatig werkwoord
3. Als je wilt zeggen dat je ergens naartoe gaat gebruik je na de vervoeging van 'ir' het voorzetsel 'a' + plek

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Yo
Él / ella / usted
Nosotros/-as
Vosotros/-as
Ellos / ellas / ustedes
voy
vas
va
vamos
vais
van

Slide 6 - Sleepvraag

naar = a (voorzetsel)
Ik ga naar het zwembad

Voy a la piscina   Ik ga naar het zwembad.   
Voy a las clases  Ik  ga naar de lessen.              
Voy al instituto  Ik ga naar school.                                  ( a + el = al )        Voy a los abuelos                                                     

vrouwelijk ev     a la                         mannelijk ev       al
vrouwelijk mv   a las                       mannelijk mv      a los


Slide 7 - Tekstslide

Als de plaats een land of een stad/dorp is gebruik je a

Vamos a España     Wij gaan naar Spanje.
Voy a Nimega.         Ik ga naar Nijmegen.

Ik  ga naar huis
Voy a casa

Slide 8 - Tekstslide

Voy a la
Voy a las
Voy al
Voy a los
Voy a
Vrouwelijk
Mannelijk
Plaats
instituto
panadería
centro comercial
escuela
clase
clases
Druten
Holanda
dormitorios
amigas

Slide 9 - Sleepvraag

naar = a (voorzetsel)
Ik ga naar het zwembad

Voy a la piscina                   Ik ga naar het zwembad.   
Voy a las clases                   Ik  ga naar de lessen.              
Voy al instituto                    Ik ga naar school.              ( a + el = al )        
Voy a los abuelos               Ik ga naar  opa en oma        
Voy a Nijmegen                  Ik ga naar Nijmegen.                                    
Ik ga naar de school.        _______________________  (el instituto)
Ik ga naar Spanje.              _______________________   (España)
Ik ga naar de kantine.      _______________________   (el comedor)
Ik ga naar de bergen        _______________________ (las montañas)


Slide 10 - Tekstslide

naar = a (voorzetsel)
Ik ga naar het zwembad

Voy a la piscina                   Ik ga naar het zwembad.   
Voy a las clases                   Ik  ga naar de lessen.              
Voy al instituto                    Ik ga naar school.              ( a + el = al )        
Voy a los abuelos               Ik ga naar  opa en oma        
Voy a Nijmegen                  Ik ga naar Nijmegen.                                    
Ik ga naar de school.        Voy al instituto.
Ik ga naar Spanje.              Voy a España.
Ik ga naar de kantine.       Voy al comedor.
Ik ga naar de bergen        Voy a las montañas.


Slide 11 - Tekstslide

Voy a la escuela
A
jij gaat naar school
B
zij gaat naar school
C
ik ga naar school
D
zij gaan naar school

Slide 12 - Quizvraag

Vamos a clase de castellano/español
A
Wij gaan naar de Spaanse les
B
Zij gaan naar de Spaanse les
C
Jullie gaan naar de Spaanse les
D
Ik ga naar de Spaanse les

Slide 13 - Quizvraag

Vul de juiste vorm van 'ir' in
Sofía y yo ________ a la piscina

Slide 14 - Open vraag

Vul de juiste vorm van 'ir' in.
Los lunes, Miriam _____ a sus abuelos

Slide 15 - Open vraag

Bron F - El horario

Es la una 
Son las dos / tres / cuatro etc 
Son las ocho y cuarto
Son las ocho y media
Son las nueve menos cuarto

Slide 16 - Tekstslide

La hora en español                  vs.

- Gebruik het werkwoord 'ser'
- Eerst de uren, dan de minuten: son las dos y cinco
- In het Spaans heeft men het over het uur dat geweest is en dan plus half: son las cinco y media
    de tijd in het Nederlands

- Gebruik het werkwoord 'zijn'
- Eerst de minuten, dan de uren: het is vijf over twee
- In het Nederlands heeft men het over het uur dat nog gaat komen: half 6

Slide 17 - Tekstslide


¿Qué hora es?
A
Son las diez menos diez
B
Son las diez y cuarto
C
Son las diez y diez
D
Son las diez y media

Slide 18 - Quizvraag


¿Qué hora es?
A
Son la una menos cinco
B
Es la una menos cinco
C
Son las doce
D
Es la una y cinco

Slide 19 - Quizvraag

Vertaal en schrijf op hoe laat het is.
'Het is 18:45'

Slide 20 - Open vraag

Vertaal en schrijf op hoe laat het is.
'Het is 20:30'

Slide 21 - Open vraag

Vertaal en schrijf op hoe laat het is.
'Het is 15:10'

Slide 22 - Open vraag

Zeggen om hoe laat je iets doet
desayunar - ir al instituto - comer 
Desayuno un vaso de leche.  (07.30)
A las siete y media desayuno con un vaso de leche.
Voy al instituto. (08.00)
A las ocho voy al instituto.
Como un bocadillo. (13.00)
A la una como un bocadillo.

Slide 23 - Tekstslide

Zeggen om hoe laat je iets doet
A las....
beber agua (11.00)
ir a casa (14.30)
escuchar música (17.00)





Slide 24 - Tekstslide

Zeggen om hoe laat je iets doet
beber - ir a casa - escuchar 
Bebo agua a las once.
A las once bebo agua.
Voy a casa A las dos y media.
A las dos y media voy a casa.
Escucho música a las cinco.
A las cinco escucho música.

Slide 25 - Tekstslide

Vertellen OM hoe laat

Gebruik het werkwoord 'ser':
A la una (= Om is 1 uur)
A las dos/tres/cuatro etc
(=Om 2/3/4 uur etc)



A las ocho y cuarto (=om kwart over 8)
A las seis y media (= om half 7)
A las siete menos cuarto (= om kwart 
voor 7) 

Slide 26 - Tekstslide

Bron I - Ontkenning 

1. Niet / geen vertaal je met 'no'
2. 'no' komt voor de persoonsvorm
3. Andere woorden voor ontkenning:
nada = niets
nadie = niemand
nunca = nooit
4. In combi met 'no' komen deze woorden direct na de persoonsvorm
5. Nunca & nadie kunnen ook vóór de persoonvorm staan, dan geen 'no' 


1Hoy no tenemos clase
No quiero ir a casa

Paul no hace nada (Paul doet niets)
No veo nadie (ik zie niemand)
No voy nunca a un restaurante (ik ga nooit naar een restaurant)

Nunca bebo coca-cola
Nadie quiere bailar

Slide 27 - Tekstslide

Hoe maak je een ontkenning in het Spaans?

no = niet / geen
nunca = nooit
nadie = niemand
nada = niets
No voy al instituto.
Mi abuela nunca va al supermercado.
Nadie va a un restaurante.
No hacemos nada en casa.

Slide 28 - Tekstslide

No, nunca, nadie
staat altijd vóór de persoonsvorm
  

Voorbeelden:
No voy al supermercado.        Ik ga niet naar de supermarkt.
Nunca voy al supermercado.       Ik ga nooit naar de supermarkt.
Nadie va al supermercado      Niemand gaat naar de supermarkt.

Slide 29 - Tekstslide

Nada = niets > dubbele ontkenning

Ana no dice nada.       Ana zegt niets.
Juan no quiere nada.      Juan wil niets.
Manuel no come nada.       Manuel eet niets.

Nada gebruik je altijd samen met het woordje no
-no staat voor het werkwoord (persoonsvorm)
-nada staat meteen achter de persoonsvorm

Slide 30 - Tekstslide

Nunca en nadie mogen ook op een andere manier gebruikt worden:
een dubbele ontkenning, net als bij nada.
Dus bij nunca en nadie zijn al deze zinnen goed:

Nunca voy al supermercado.            Ik ga nooit naar de supermarkt.
No voy nunca al supermercado.      Ik ga nooit naar de supermarkt.

Nadie va al supermercado.              Niemand gaat naar de supermarkt.
No va nadie al supermercado.         Niemand gaat naar de supermarkt.



Slide 31 - Tekstslide

Maak ontkennend
1. Mi amigo habla español          Mi amigo no habla español
2. Soy holandesa                             No soy holandesa
3. Vivimos en Druten                     No vivimos en Druten
4. Mi madre se llama Felicia       Mi madre no se llama Felicia

Slide 32 - Tekstslide

Vul het juiste woord in.
Miguel (niet) _______ va al instituto los domingos.

Slide 33 - Open vraag

Vul de juiste woorden in.
Miguel (niets) ________ comprende _________ de matemáticas.

Slide 34 - Open vraag

Vul het juiste woord in.

En el comedor (niemand) _______ come espaguetis.

Slide 35 - Open vraag

no - nunca - nadie - nada
1 En mi casa (niemand) ______________come carne.
2 El autobús (niet) ____________va al instituto.
3 En mi instituto los profesores (nooit) ______________ son duros.
4 Después de las 20.00 Juan (niets)______ hace ________________.

Slide 36 - Tekstslide

no - nunca - nadie - nada
1 En mi casa (niemand) nadie come carne.
2 El autobús (niet) no va al instituto.
3 En mi instituto los profesores (nooit) nunca son duros.
4 Después de las 20.00 Juan (niets) no hace nada.

Slide 37 - Tekstslide

Vergeet de woordjes & zinnetjes niet opnieuw te leren!!!!!!!!!!!

Slide 38 - Tekstslide

Proefwerk Capítulo 4 op 23-4
-Lezen
-Vocabulario 4.1-4.2-4.3 beide kanten
-Gramática Bron D+F+I
-Frases clave Bron E+J

50 minuten. Telt 2x mee!

Slide 39 - Tekstslide