Week 7 - Les 1 (60 min) // Les 2 (30 min)

1 / 24
volgende
Slide 1: Slide
newEditorFransMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Le planning

  • Woordjes + opdrachten van §1.3

  • Uitleg vervangen ZNW

Le but d'aujourd'hui

  • Je leert minimaal 2 nieuwe woorden.

  • Je snapt door welke woorden je een ZNW kunt vervangen.

Vocabulaire §1.3 - STUDIO

  • lees mee op p. 54

- Au travail ! (aan het werk) -

  • Faire (maken) - ex. 35 (p. 36)

  • HULP: de woordjes van §1.3 (p. 54)

5

m

00

s

Opdracht 37 + 38 (p. 37)

Een ZNW vervangen

door : il / elle / ils / elles


  • Een mannelijk ZNW vervang je door ➡️ il

  • Een vrouwelijk ZNW vervang je door ➡️ elle

  • In het meervoud bij mannelijke ZNW vervang je door ➡️ ils

  • In het meervoud bij vrouwelijke ZNW vervang je door ➡️ elles


Voorbeelden

  • La fille est gentille --> elle est gentille.

  • Le chien est grand --> il est grand.

  • Les garçons sont à la cantine. --> ils sont à la cantine.

Een ZNW vervangen


Even testen! Vervang de onderstaande dikgedrukte woorden door : il / elle / ils / elles.


  1. Le prof s'appelle Monsieur Snoek.

  2. Les madames sont au supermarché.

1

m

00

s

- Les devoirs (het huiswerk) -

  • Faire (maken) - ex. 42 (p. 38)

  • Leren: de woorden van §1.3 + aantekeningen (p. 55)

La réflexion - en classe


  • Je hebt minimaal 2 nieuwe Franse woorden geleerd.

Le planning

  • Het werkwoord être herhalen

  • Woordentrainer §1.3

Le but d'aujourd'hui

  • Je hebt minimaal 2 nieuwe woorden geleerd.

  • Je weet minimaal 2 vervoegingen van het werkwoord être.

Herhaling - Het werkwoord être (zijn)

  • Je suis = Ik ben

  • Tu es = Jij bent

  • Il est / elle est / on est / c'est = hij is / zij is / men is, we zijn / het is

  • Nous sommes = wij zijn

  • Vous êtes = jullie zijn / u bent

  • Ils sont / elles sont = zij zijn


Wat betekent "être"?

A

zijn

B

hebben

C

gaan

D

doen

Elle _______ Française.

Wat hoort er op de lijn?

A

es

B

est

C

êtes

D

sont

Ils _______ des danseurs.

Wat hoort er op de lijn?

A

es

B

êtes

C

est

D

sont


Les chiens _______ grands.

Wat hoort er op de lijn?

A

es

B

sommes

C

êtes

D

sont


Vertaal:

"Hij is de docent."

Gebruik het werkwoord être

  Zet de vervoegingen van het werkwoord 'être' in de goede volgorde.

être

       JE                    TU          IL/ELLE/ON       NOUS         VOUS         ILS/ELLES  







est

sommes

es

êtes

sont

suis


Snap je être nu een beetje?

Oefenen in de online woordentrainer