10.1 Krachten

Hoofdstuk 10: Krachten
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 4

In deze les zitten 38 slides, met tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 10: Krachten

Slide 1 - Tekstslide

Wat weet je al?
Opdrachten voorkennis

Slide 2 - Tekstslide

Maak de voorkennistoets van H1

Slide 3 - Tekstslide

10.1 Krachten
10.1.1 Je kunt beschrijven welke effecten krachten op een voorwerp kunnen hebben.
10.1.2 Je kunt de grootte van een kracht meten met een geschikte krachtmeter.
10.1.3 Je kunt een kracht tekenen als een vector, volgens een gegeven krachtenschaal.
10.1.4 Je kunt de krachten benoemen die in een gegeven situatie op een voorwerp werken.
10.1.5 Je kunt de zwaartekracht berekenen die op een voorwerpt werkt.
10.1.6 Je kunt beredeneren of twee magnetische voorwerpen elkaar aantrekken of afstoten.
10.1.7 Je kunt beredeneren of twee elektrisch geladen voorwerpen elkaar aantrekken of afstoten.

Slide 4 - Tekstslide

De effecten van krachten


Krachten zorgen voor:
- een verandering in snelheid
- een verandering in richting
-een verandering in vorm
Dit noem je de uitwerkingen van een kracht

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Soorten krachten
  • Zwaartekracht        (Fz)
  • Spierkracht              (Fs)
  • Veerkracht                (Fv)
  • Wrijvingskracht      (Fw)
  • Spankracht               (Fspan)
  • Elektrische kracht  (Fel) 
  • Magnetiche kracht (Fmagn) 

Slide 7 - Tekstslide

Soorten krachten
  • Spierkracht (Fs)
  • Spankracht (Fspan)
  • Wrijvingskracht (Fw)
  • Veerkracht (Fv)
  • Magnetische kracht (Fm
  • Elektrische kracht (Fel)

Slide 8 - Tekstslide

Soorten krachten

Spierkracht: 

fietsen of gewichtheffen 

Slide 9 - Tekstslide

Zwaartekracht

de aarde trekt aan alle dieren, mensen en voorwerpen

9,8 Newton per kg

Slide 10 - Tekstslide

Spankracht

- strakgespannen touw, kabel of ketting
- tillen, trekken, takelen of spullen op hun plaats houden

Slide 11 - Tekstslide

Wrijvingskracht

- 2 oppervlakken die over elkaar schuiven
- handig bij schaatsen
- niet handig bij het verschuiven van de bank

Slide 12 - Tekstslide

Elektrische kracht

- een ballon over je haar wrijven 
- Een positief en negatief geladen voorwerp trekken elkaar aan. 
- positief en positief, negatief en negatief stoten elkaar af


Slide 13 - Tekstslide

Elektrische kracht

Slide 14 - Tekstslide

Magnetische kracht

- ijzer, nikkel en staal
- magneet heeft een noordpool en een zuidpool
- kompas of elektromotor
- rondom een magneet is er een magneetveld, deze wordt zichtbaar bij het strooien van ijzerpoeder, dan zie je een patroon van veldlijnen

Slide 15 - Tekstslide

Magnetische kracht
  • Twee polen
  • Noord en zuidpool
  • Opposites attract
  • Veldlijnen



Slide 16 - Tekstslide

Kracht meten
Krachtmeter of veerunster
dunne veer = kleine kracht
dikke veer = grote kracht

Let op! schaalverdeling gaat van boven naar beneden

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Video

Krachtsensor
digitale krachtmeter

Kan ook een weegschaal zijn, deze zet zwaartekracht om in massa (gewicht)

Slide 19 - Tekstslide

Krachten tekenen
Krachten tekenen we met een pijl (vector)
Er zijn drie aandachtspunten:
- aangrijpingspunt, dit is waar de kracht begint
- de richting van de kracht
- de grootte van de krachtpijl

Slide 20 - Tekstslide

Krachtenpijl
A: Richting
B: Aangrijpingspunt
C: Grootte

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

Krachtenschaal
Komt overeen met

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Zwaartekracht
Op een boek dat op een tafel ligt, werkt de zwaartekracht. 
Op een boek dat van een tafel valt, werkt ook de zwaartekracht. 
Op alle voorwerpen, mensen, dieren en planten op aarde werkt de zwaartekracht.
De zwaartekracht werkt altijd recht naar beneden. 
Het symbool voor zwaartekracht is Fz
De z staat voor zwaartekracht.

Net zoals andere krachten geef je zwaartekracht aan in newton.

Slide 25 - Tekstslide

Zwaartekracht berekenen
Fz = m · g


  • Fz de zwaartekracht op het voorwerp in newton (N); 
  • m de massa van het voorwerp in kilogram (kg);
  • g de zwaartekracht per massa-eenheid in newton per kilogram (N/kg).

Slide 26 - Tekstslide

Voorbeeld
De cementbak heeft een massa
van 500 kg. Bereken het gewicht dat aan de kabel trekt.

Slide 27 - Tekstslide

Uitwerking
Gegeven:  m = 500 kg
                       g = 10 N/kg

Gevraagt:   G

Oplossing: G = m x g
                   G=  500 x 10 = 5000 N

Slide 28 - Tekstslide

Massa
Als je op een weegschaal gaat staan, geeft de weegschaal je massa aan in kilogrammen. 
In de weegschaal zit een veer of een krachtsensor. 
De weegschaal is dus een krachtmeter, die aangeeft hoe groot de zwaartekracht is die op je werkt.

De weegschaal rekent de zwaartekracht om naar massa.
massa = zwaartekracht : 10

Slide 29 - Tekstslide

Voorbeeldopdracht
Jason staat op een weegschaal. De weegschaal meet dat er een zwaartekracht van 660 N op Jason werkt.
Bereken hoe groot de massa van Jason is.
gegevens:
zwaartekracht = 660 N

gevraagd:
massa = ? kg


  • Uitwerking
  • massa = zwaartekracht : 10
  • massa = 660 : 10 = 66 kg
  • De massa van Jason is dus 66 kg.

Slide 30 - Tekstslide

Nettokracht
- krachten die in dezelfde richting wijzen, tel je bij elkaar op.
- krachten die in tegengestelde richting wijzen, haal je van elkaar af.

Slide 31 - Tekstslide

Nettokracht






krachten die in dezelfde richting wijzen, tel je bij elkaar op

Slide 32 - Tekstslide

Nettokracht






krachten die in tegengestelde richting wijzen, haal je van elkaar af.

Slide 33 - Tekstslide

Nettokracht 







krachten die in tegengestelde richting wijzen, haal je van elkaar af.

Slide 34 - Tekstslide

Nettokracht

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Tekstslide

Maken:
paragraaf 10.1 
opdrachten 1 t/m 11

Slide 38 - Tekstslide