Vragers en aanbieders hoofdstuk 1

Kosten
Variabele kosten
Constante kosten
Marginale opbrengsten
Marginale kosten
1 / 65
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 65 slides, met tekstslides en 4 videos.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Kosten
Variabele kosten
Constante kosten
Marginale opbrengsten
Marginale kosten

Slide 1 - Tekstslide

Lezen in stilte
Bladzijde 4

Maken opgave 1.1 en 1.2
timer
4:00

Slide 2 - Tekstslide

Antwoord opgave 1.2

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Video

Op welke wijze wordt Jumbo steeds groter?
  • Overname van andere supermarkten

Slide 6 - Tekstslide

Kosten
  • Variabele kosten = kosten die afhankelijk zijn van de productie van een bedrijf:
  • grondstoffen, verpakking, vervoer
  • Constante kosten = kosten die onafhankelijk zijn van de productie van een bedrijf:
  • Huur, verzekering, afschrijving van machines

Slide 7 - Tekstslide

Maken
Opgave 1.3 t/m 1.5
timer
5:00

Slide 8 - Tekstslide

Antwoorden

Slide 9 - Tekstslide

Vraag
Je hebt een ijssalon. De huur, verzekering en energiekosten zijn € 4.000 per maand.
De verkoopprijs van een ijsje is € 2,50
De variabele kosten zijn € 0,50 per stuk

Hoeveel ijsjes moet je verkopen om 'quitte' te spelen. Dus precies uit de kosten te komen

Slide 10 - Tekstslide

Uitwerking
Je hebt een ijssalon. De huur, verzekering en energiekosten zijn € 4.000 per maand.
De verkoopprijs van een ijsje is € 2,50
De variabele kosten zijn € 0,50 per stuk

€ 4.000/ (2,50 - 0,50) = 2.000 ijsjes

Slide 11 - Tekstslide

Break-even afzet 
Constante kosten
(verkoopprijs - variabele kosten per stuk)

€ 4.000 
                        (2,50 - 0,50)        = 2.000
De afzet die je moet halen om geen winst en geen verlies te hebben
Winst van € 0

Slide 12 - Tekstslide

Break-even omzet
De omzet die je moet halen om geen winst en geen verlies te hebben

Break-even afzet X verkoopprijs

2.000 ijsjes X € 2,50 = € 5.000

Slide 13 - Tekstslide

Huiswerk
1.6 en 1.7

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Video

Maak de opgaven bij het fragment

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Video

Maak de opgaven bij het fragment

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Video

Maak opgaven bij het filmpje

Slide 32 - Tekstslide

Opgave 1.10    
Hoe kun je zien in onderste grafiek dat de totale winst 
€ 20.000 is bij 2.000 spijkerbroeken

Slide 33 - Tekstslide

Opgave 1.10    
TO        € 100.000
TK         €  80.000 -
TW       €   20.000

Slide 34 - Tekstslide

Opgave 1.10 A   
Hoe kun je de winst bij 2.000 spijkersbroeken ook uitrekenen bij de bovenste grafiek?
timer
2:00

Slide 35 - Tekstslide

Opgave 1.10 A   
GO - GTK =
€ 50 - € 40 = € 10
Dit is de gemiddelde winst
€ 10 X 2.000 = € 20.000

Slide 36 - Tekstslide

Opgave 1.10 b   
Hoe groot is de 
break-evenafzet


timer
1:00

Slide 37 - Tekstslide

Opgave 1.10 b   
Hoe groot is de 
break-evenafzet

1.000 spijkerbroeken
De GO is bij deze hoeveelheid gelijk aan de GTK


Slide 38 - Tekstslide

Lezen
Bladzijde 11
Paragraaf 1.3

Slide 39 - Tekstslide

De context
De verkoopprijs van een fiets is € 2.250
De constante kosten zijn € 500.000
Sjoerd produceert en verkoopt 2.000 fietsen
De winst die hij behaalt met 2.000 fietsen is € 300.000
Controleer of dit klopt
Totale opbrengsten - totale kosten = totale winst

Slide 40 - Tekstslide

De context
Omzet 2.000 X € 2.250 =                                             € 4.500.000
Variabele kosten 2.000 X € 1.850 = € 3.700.000
Constante kosten                                       500.000    
Totale kosten                                                                  € 4.200.000 -
Winst                                                                                €     300.000               

Slide 41 - Tekstslide

Opgave 1.11   A
  • De verkoopprijs van een fiets is € 2.250
  • Hoe groot zijn de marginale kosten van een fiets vanaf 2.001 stuks? 
  • € 1.900
  • Bereken hoeveel winst elke extra verkochte fiets oplevert
  • € 2.250 - € 1.900 = € 350

Slide 42 - Tekstslide

Maken   Huiswerk
1.11  t/m 1.15
timer
8:00

Slide 43 - Tekstslide

Opgave 1.11   B
  • Prijs is € 2.250
  • Levert verdere uitbreiding tot 3.000 fietsen extra winst op?
  • Ja, € 2.250 - € 1.950 = € 300 extra winst per fiets

Slide 44 - Tekstslide

Opgave 1.11   C
  • Prijs is € 2.250
  • Levert verdere uitbreiding tot 3.500 fietsen extra winst op?
  • Ja, € 2.250 - € 2.200 = € 50 extra winst per fiets

Slide 45 - Tekstslide

Opgave 1.11   D
  • Prijs is € 2.250
  • Zal Sjoerd de productie uitbreiden naar 4.000 stuks?
  • Nee, de marginale kosten zijn vanaf 3.501 stuks € 2.400 en de marginale opbrengsten blijven € 2.250 per fiets

Slide 46 - Tekstslide

Opgave 1.12   
  • De verkoopprijs van een fiets is € 2.250
  • A. De marginale opbrengst per fiets is
  • € 2.250
  • B. De marginale kosten van de 1.000ste fiets?
  • € 1.850
  • C. De marginale kosten van de 2.400ste fiets?
  • € 1.900
  • D. De marginale kosten van de 3.600ste fiets? --> € 2.400

Slide 47 - Tekstslide

Bestuderen/ maken
Opgave 1.13
timer
8:00

Slide 48 - Tekstslide

1.13   A Bereken winst bij 3.000 fietsen
Omzet - kosten = winst
Omzet = hoeveelheid X prijs
Constante kosten zijn € 500.000

Slide 49 - Tekstslide

1.13   A Bereken winst bij 3.000 fietsen
Omzet = 3.000 X € 2.250                                                  € 6.750.000
Variabele kosten:
2.000 X € 1.850 + 500 X € 1.900 + 500 X € 1.950         € 5.625.000
Constante kosten                                                               €   500.000 -
Winst                                                                                      €   625.000

Slide 50 - Tekstslide

1.13   B Bereken met welk bedrag winst toeneemt als afzet stijgt tot 3.500
Omzet  neemt toe met  500 X € 2.250 = € 1.125.000
Kosten nemen toe met 500 X € 2.200 = € 1.100.000 -
Winst neemt toe met                                  €     25.000
Of:
Winst neemt toe met 500 X (2.250- 2.200) = € 25.000

Slide 51 - Tekstslide

1.13   C Bereken met welk bedrag winst afneemt als afzet stijgt van 3.500 tot 4.000
Omzet  neemt toe met  500 X € 2.250 = € 1.125.000
Kosten nemen toe met 500 X € 2.400 = € 1.200.000 -
Winst neemt af met                                  €         75.000
Of:
Winst neemt af met 500 X (2.250- 2.400) = € 75.000

Slide 52 - Tekstslide

1.13   D Bereken totale winst bij 4.000 fietsen
Winst bij 3.000 fietsen                            € 625.000
+ toename winst bij 3.500 fietsen       €    25.000 +
+ afname winst bij 4.000 fietsen         €    75.000 -
Winst bij 4.000 fietsen                           €  575.000

Slide 53 - Tekstslide

1.13   E Bij welke productie en afzet is winst maximaal?
Bij 3.500 fietsen
Van 3.001 tot 3.500 fietsen is marginale opbrengst groter dan marginale kosten.
Vanaf 3.501 fietsen zijn de marginale kosten (2.400) groter dan de marginale opbrengsten (2.250)

Slide 54 - Tekstslide

Maken 
Tot en met 1.17
timer
5:00

Slide 55 - Tekstslide

Maak de puzzel

Slide 56 - Tekstslide

Kosten
Variabele kosten
Constante kosten
Marginale opbrengsten
Marginale kosten

Slide 57 - Tekstslide

Totale omzet en totale kosten
Jan Haring verkoopt.....haring. Zijn gegevens:
Prijs € 3. Constante kosten € 2.000 per maand
Variabele kosten per stuk € 1
500
1.000
2.000
Omzet
500 X € 3 = € 1.500
1.000 X € 3 = € 3.000
2.000 X € 3 =
€ 6.000
Variabele kosten
500 X € 1 = € 500
1.000 X € 1 = € 1.000
2.000 X € 1 =
€ 2.000
Constante kosten
€ 2.000
€ 2.000
€ 2.000

Slide 58 - Tekstslide

Van totaal naar gemiddeld
Jan Haring verkoopt.....haring. Zijn gegevens:
Prijs € 3. Constante kosten € 2.000 per maand
Variabele kosten per stuk € 1
500
1.000
2.000
Omzet
€ 1.500/ 500 = € 3
€ 3.000/ 1.000 = € 3
€ 6.000/ 2.000 = € 3
Gemiddelde Variabele kosten
€ 500/ 500 = € 1
€ 1.000/ 1.000 = € 1
€ 2.000/ 2.000 = € 1
Gemiddelde
Constante kosten
€ 2.000/ 500 = € 4
€ 2.000/ 1.000 = € 2
€ 2.000/ 2.000 = € 1
De gemiddelde constante kosten dalen als de productie stijgt
Totale constante kosten/ productue
Gemiddelde variabele kosten = totale variabele kosten/ productie
TVK/ Q

Slide 59 - Tekstslide

Van gemiddeld weer naar totaal
Jan Haring verkoopt.....haring. Zijn gegevens:
Prijs € 3. Constante kosten € 2.000 per maand
Variabele kosten per stuk € 1
500
1.000
2.000
Omzet
 500 X€ 3 = € 1.500
1.000 X € 3 = € 3.000
 2.000 X € 3 = 
€ 6.000
Totale Variabele kosten
GVK X Q = TVK 
€ 1 X 500 = € 500
GVK X Q = TVK
€ 1 X 1.000 = € 1.000
GVK X Q = TVK
€ 1 X 2.000 = 
€ 2.000
Totale 
Constante kosten
GCK X Q = TCK
€ 4 X 500 = € 2.000 

GCK X Q = TCK
€ 2 X 1.000 = € 2.000
GCK X Q = TCK
€ 1 X 2.000 = 
€ 2.000

Slide 60 - Tekstslide

Werken aan de weektaak
timer
8:00

Slide 61 - Tekstslide

De les begint over .......
timer
2:30
Welk woord staat op het bord

Slide 62 - Tekstslide

De les begint over .......
timer
2:30
Breakeven afzet!!

Slide 63 - Tekstslide

Maak de proeftoets hoofdstuk 1
8 minuten in stilte
2 minuten zachtjes overleg
timer
8:00
timer
2:00

Slide 64 - Tekstslide

ACM
Autoriteit Consument en Markt
Ziet erop toe dat:
  • bedrijven geen prijsafspraken maken
  • er genoeg concurrentie is --> door fusies en overnames mogen bedrijven niet te groot worden

Slide 65 - Tekstslide