3a2 futur herhalen

Qu'est-ce qu'on va faire aujourd'hui?
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Qu'est-ce qu'on va faire aujourd'hui?

Slide 1 - Tekstslide

au programme aujourd'hui
  •  les matières, les filières
  •  les verbes (ir)réguliers : le futur simple et le futur proche 

Slide 2 - Tekstslide

Quelles matières connais-tu?

Slide 3 - Tekstslide

Parler A
Penses à ton propre emploi du temps
et 
réponds aux questions. Travaillez à deux.
 
Tu te lèves à quelle heure le lundi ?
Tu commences à quelle heure le mardi?
Tu finis à quelle heure le vendredi ?
Quelle est ta matière préférée ?
C'est quand la récré ?
Tu te couches à quelle heure normalement ?



Slide 4 - Tekstslide

Le futur simple et le futur proche
  • Est-ce que tu connais le futur simple? explication +exercices


  • Est-ce que tu connais le futur proche? explication + exercices

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Le futur simple
Je kent de futur simple (toekomende tijd) en kan deze toepassen.
Jij kan deze les op jouw tekstboek bz. 38 volgen.

Slide 7 - Tekstslide

Le futur simple 
  • Om uit te leggen dat iets nog zal gaan gebeuren
  • In het Nederlandse gebruik je: zullen

       "Morgen zal ik werken"
       "Demain je travaillerai"

Slide 8 - Tekstslide

Le futur simple - stappenplan
bij regelmatige ww op -er, -ir, -re
       1 - bepaal wat het hele werkwoord is
       2 - plak de juiste uitgang van de futur er achter. Het zijn de uitgangen van avoir= ai/as/a/ons/ez/ont. 
Let op!
       3 - eindigt het hele werkwoord op een 'e' haal deze er dan af.
     

Slide 9 - Tekstslide

Le futur simple - de uitgangen
Werkwoorden op -ir        op -er            op -re (laatste e haal je eraf)
                  Choisir          Parler             Prendre
Je               choisirai          parlerai             prendrai
Tu               choisiras         parleras            prendras
Il/elle/on  choisira           parlera              prendra
Nous         choisirons      parlerons         prendrons
Vous          choisirez         parlerez           prendrez
Ils                choisiront      parleront          prendront

Slide 10 - Tekstslide

Le futur simple: onregelmatige ww.
  • Bij die zes werkwoorden is de stam onregelmatig
  • être          je serai - ik zal zijn
  • avoir         j'aurai - ik zal hebben
  • faire         je ferai - ik zal doen
  • aller          j'irai - ik zal gaan
  • pouvoir   je pourrai - ik zal kunnen
  • voir           je verrai - ik zal zien

Slide 11 - Tekstslide

Quizzzzzzzzzzzzz
Nous allons faire un petit test

Slide 12 - Tekstslide

In welke tijd staat de zin:
Nous avons des invités à Noël!
A
de présent
B
de futur simple
C
de passé composé
D
de futur proche

Slide 13 - Quizvraag

In welke tijd staat de zin:
Monique et Christian sont partis à Strasbourg
A
de présent
B
de futur simple
C
de passé composé
D
de futur proche

Slide 14 - Quizvraag

In welke tijd staat de zin:
À Noël nous pourrons partir faire du ski
A
de présent
B
de futur simple
C
de passé composé
D
de futur proche

Slide 15 - Quizvraag

In welke tijd staat de zin:
Je partirai en voiture
A
de présent
B
de futur simple
C
de passé composé
D
de futur proche

Slide 16 - Quizvraag

Verbes en -ir
Welke vormen zijn correct van de futur simple?
A
Je partirai
B
Je partais
C
Nous partiron
D
Nous partirons

Slide 17 - Quizvraag

Verbes en -er
Welke vormen van de future simple
zijn correct ?
A
Nous parlerons
B
Il parlait
C
Je chanterais
D
Je chanterai

Slide 18 - Quizvraag

Verbes en -re
Welke vormen van de future simple
zijn correct ?
A
Je vendrai
B
Nous vendrons
C
Elle vendrai
D
Ils vendront

Slide 19 - Quizvraag

Klik de zin aan waarin de "futur simple" gebruikt wordt!
A
Je vais boire du lait
B
Je partirai à Amsterdam
C
Je mange des légumes
D
Je veux bien avoir une pomme

Slide 20 - Quizvraag

jij zult kiezen
(choisir)
A
tu choise
B
tu choisis
C
tu choisiras
D
tu choisissais

Slide 21 - Quizvraag

ik zal praten
(parler)
A
je parlais
B
j'ai parlé
C
je parle
D
je parlerai

Slide 22 - Quizvraag

zij zal ontmoeten
(rencontrer)
A
elle rencontrera
B
elle rencontrait
C
elle a rencontré
D
elle rencontre

Slide 23 - Quizvraag

Vertaal de volgende zin:
'jullie zullen eten.'

Slide 24 - Open vraag

Verbes irréguliers (onregelmatige werkwoorden)

wij zullen doen
A
nous fairons
B
nous ferons
C
nous ferions
D
nous feront

Slide 25 - Quizvraag

Verbes irréguliers (onregelmatige werkwoorden)
Welke vormen van de future simple zijn correct ?
A
vous aurez
B
elles pouvoiraient
C
tu seras
D
il ira

Slide 26 - Quizvraag

Als je wilt zeggen dat iets binnen zeer korte tijd gaat plaatsvinden, gebruik je de futur proche. De futur proche bestaat uit een vorm van het werkwoord ALLER + het hele werkwoord (de infinitif)
Opdracht 1: luister (volgende dia) nog eens naar de présent van het werkwoord ALLER

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Video

Hoe maak je de futur proche?
Hoe zet je een werkwoord in de futur proche?

Stap 1: Neem de juiste vorm van het werkwoord ALLER
Bijvoorbeeld: je vais

Stap 2: Zet hier het hele werkwoord achter.
Bijvoorbeeld: parler


Slide 29 - Tekstslide

Stap 3
Je vais parler                                                  Ik ga praten
Tu vas parler                                                  Jij gaat praten
Il va parler                                                       Hij gaat praten
Elle va parler                                                  Zij gaat praten
On va parler                                                   Men gaat praten
Nous allons parler                                      Wij gaan praten
Vous allez parler                                         Jullie gaan praten
Ils vont parler                                               Zij gaan praten
Elles vont parler                                         Zij gaan praten  

Slide 30 - Tekstslide

Vertaal:
Ik ga kopen

Slide 31 - Open vraag

Vertaal:
Hij gaat worden

Slide 32 - Open vraag

Vertaal:
Zij gaan wonen

Slide 33 - Open vraag

Vertaal:
Zij gaan winnen

Slide 34 - Open vraag

Vertaal:
Jij gaat praten

Slide 35 - Open vraag

Est-ce que j'ai tout compris?
Oui? C'est super!
Non? Alors, pose des questions à ta prof!

Slide 36 - Tekstslide