WW: tt en vt

1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Vandaag behandelen we
Werkwoordspelling
t.t. (tegenwoordige tijd)
v.t. (verleden tijd)

Slide 2 - Tekstslide

Ik weet welk trucje je moet gebruiken in de tegenwoordige tijd.
😒🙁😐🙂😃

Slide 3 - Poll

Slide 4 - Video

De regels
Ik loop                                                               stam
Jij loop                                                            stam + t
Hij/zij/het  loop                                         stam + t
Wij/zij (meervoud) lopen                           hele werkwoord
loop jij                                               stam

Slide 5 - Tekstslide

werkwoordspelling
A
Hij bediend de gasten
B
Hij bedient de gasten

Slide 6 - Quizvraag

werkwoordspelling
A
Hij onthoud
B
Hij onthoudt

Slide 7 - Quizvraag

werkwoordspelling
A
De oude man verstuurt de brief.
B
De oude man verstuurd de brief.

Slide 8 - Quizvraag

werkwoordspelling
A
Ik brand mijn vingers
B
Ik brandt mijn vingers

Slide 9 - Quizvraag

werkwoordspelling
A
Wordt jij later beroemd?
B
Word jij later beroemd?

Slide 10 - Quizvraag

Slide 11 - Video

't ex kofschip
gebruik je bij zwakke werkwoorden
hele werkwoord - en
laatste letter in 't ex kofschip? -> te 
laatste letter niet in 't ex kofschip? -> de
meervoud? +n


Let op: soms verandert de s in een z en de f in een v

Slide 12 - Tekstslide

werkwoordspelling
A
Gisteren verhuisden we naar Groningen.
B
Gisteren verhuisten we naar Groningen.

Slide 13 - Quizvraag

werkwoordspelling
A
Zij begeleiden de vrouw naar huis gisteren.
B
Zij begeleidden de vrouw naar huis gisteren.

Slide 14 - Quizvraag

werkwoordspelling
A
Het rotsblok valde op de auto.
B
Het rotsblok viel op de auto.

Slide 15 - Quizvraag

werkwoordspelling
A
De vuurkorf brande de hele avond.
B
De vuurkorf brandde de hele avond.

Slide 16 - Quizvraag

werkwoordspelling
A
Hij vergrote zijn voorsprong.
B
Hij vergroote zijn voorsprong.
C
Hij vergrootte zijn voorsprong.

Slide 17 - Quizvraag