Fictie toegepast op 'Wonder' les 4

Fictie: toegepast op 'Wonder'
VWO leerjaar 1
2019-2020
Les 4
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Fictie: toegepast op 'Wonder'
VWO leerjaar 1
2019-2020
Les 4

Slide 1 - Tekstslide

Terugblik
  • je kunt kunt aangeven het fictie of non-fictie is.
  • je weet wie de hoofdpersonen of bijpersonen in een verhaal zijn.
  • Je weet wat realistisch/ niet realistisch is.
  • Je kunt de tijd in verhalen herkennen.

Slide 2 - Tekstslide

Nakijken!
Boek Op Niveau blok 3 Fictie(blz 117):
lezen "ik wil de wereld zien'
+ theorie 3.2 tijd in verhalen.
 opdracht 2, 3, 4

Slide 3 - Tekstslide

Antwoorden Opdracht 2
1    Manier 4, vertellen over gewoontes, voorwerpen en kleding uit de tijd van het verhaal en manier 5, laten zien hoe de omgeving eruitziet (de burcht wordt beschreven).
2    Er wordt geen jaartal genoemd, maar de beschrijving van het leven in een kasteel met ridders past bij de middeleeuwen (500-1500). (In de flaptekst van het boek wordt verteld wanneer het zich afspeelt: begin twaalfde eeuw.)
3    a    Manier 5, laten zien hoe de omgeving eruitziet.
    b    Manier 1, een jaartal noemen; manier 4, vertellen over gewoontes uit de tijd van het verhaal.
    c    Manier 4, vertellen over gewoontes en voorwerpen uit de tijd van het verhaal.
    d    Manier 1, een jaartal noemen; manier 2, een bekende persoon in het verhaal laten voorkomen; manier 3, bekende gebeurtenissen laten voorkomen in het verhaal; manier 4, vertellen over voorwerpen uit de tijd van het verhaal.

Slide 4 - Tekstslide

Antwoorden opdracht 3
1    De vertelde tijd is ongeveer een kwartier, de tijd van het gesprek tussen Wolfram en Raymond nadat Wolfram zijn training heeft beëindigd.
2    Tussen deze regels zit ongeveer acht uur, van het tijdstip waarop Wolfram ’s avonds in slaapt valt (om een uur of elf) tot hij de volgende ochtend vroeg door een knecht wakker wordt gemaakt (om een uur of zeven).
3    a    Zes van deze acht aanwijzingen: Het is een koele najaarsdag waarop de komende winter reeds voelbaar is; die avond; in de morgen; in de ochtend; even later; vertrouwt hij de nacht toe; de knecht die het vuur komt opstoken, maakt hem wakker; gisteravond.
    b    De vertelde tijd in het hele verhaal is iets minder dan een dag. Op de eerste dag heeft Wolfram zijn training en het gesprek met Raymond, dit zou ’s morgens of ’s middags kunnen zijn. Dezelfde avond is er het gesprek aan tafel, waarna Wolfram dronken wordt en ruzie heeft met zijn vader. De volgende ochtend vroeg praat hij opnieuw met zijn vader.
    c    Het verhaal speelt zich af in het najaar.
4    Wolfram is ongeveer zestien of zeventien jaar oud. Dit is op te maken uit de volgende aanwijzingen: hij kan al goed met allerlei wapens vechten en zou het kunnen opnemen tegen volwassen ridders, hij had al tot ridder geslagen kunnen zijn, hij is even sterk als zijn vader, zijn vader vindt hem uiteindelijk oud genoeg om op reis te gaan en hij laat Wolfram beloven dat hij geen vrouw zal beminnen.
5    De vertelde tijd in dat verhaal is drie jaar en iets meer dan vier maanden. In het begin van het verhaal staat dat het de eerste week van maart 1938 is en het verhaal eindigt ergens in juli 1941.

Slide 5 - Tekstslide

Antwoorden opdracht 4
1    Eigen antwoord. Je hebt drie beoordelingswoorden gekozen of bedacht en uitgelegd waarom die van toepassing zijn op het verhaal.
2    Eigen antwoord. Je hebt drie beoordelingswoorden gekozen.
3    Eigen antwoord. Je hebt aan je klasgenoot verteld welke beoordelingswoorden van toepassing zijn op jouw mooiste leeservaring en waarom.
4    Eigen antwoord. Je hebt aan je klasgenoten verteld over een mooie leeservaring van de leerling naast jou, met beoordelingswoorden en uitleg.

Slide 6 - Tekstslide

Vertelperspectief
Vertelperspectief
Het standpunt van waaruit een verhaal wordt verteld.

1. Ik-vertelperspectief
De gebeurtenissen worden verteld door een personage in de ik-vorm.

2. Personaal vertelperspectief
De gebeurtenissen worden in de hij- of zij-vorm verteld.

Slide 7 - Tekstslide

Vertelperspectief
3. Auctoriaal vertelperspectief
Dit is een alwetende verteller, die zelf geen rol speelt in het verhaal, maar hij weet alles van alle personages en gebeurtenissen.

4. Wisselend perspectief 
Als een schrijver kiest voor het ik-perspectief of het hij- of zij-perspectief, dan kunnen verschillende personages elkaar afwisselen als hoofdpersoon en/of verteller.


Slide 8 - Tekstslide

Opdracht vertelperspectief
Op de volgende slides volgt een aantal vragen over het vertelperspectief. 

Lees de fragmenten en beantwoord de vragen.

Slide 9 - Tekstslide

Opdracht vertelperspectief
De toren van Babel - Annie M.G. Schmidt
In mijn onschuld dacht ik, dat het bouwen van een huis een vrij simpele affaire zou zijn. Ze doen het al zo lang... dacht ik. Mensen bouwen al zo lang huizen. Zeker al tienduizend jaar of langer. Het is net zoiets als brood bakken, dat doen ze ook al zo lang. En bouwen... zo'n achtduizend jaar geleden maakten ze al heel ingewikkelde pyramides, dacht ik. En de toren van Babel ook... nou ja goed, het ding is nooit afgekomen, maar nu zijn ze toch al weer zoveel verder en bovendien: mijn huis behoeft geen toren van Babel te worden, liever zelfs niet. Zo maar een huisje. Op de tekening, die de architect voor ons gemaakt had, was het zo eenvoudig. Enkel maar een paar kamers, rechte kamers, naast elkaar en een plat dak. En geen kwestie van spitsbogen of beeldhouwwerken, of van torentjes of van kantelen of van koepels of erkers of koekoeksramen, zo maar rechttoe, recht an een huis. Dat kon niet zoveel hoofdbrekens kosten, dacht ik.

Slide 10 - Tekstslide

Opdracht vertelperspectief
Wat is het perspectief in 'De toren van Babel?
A
Ik-perspectief
B
Personaal perspectief
C
Alwetende/auctoriale verteller

Slide 11 - Quizvraag

Slide 12 - Tekstslide

Opdracht vertelperspectief
Wat is het perspectief in 'De avonden'?
A
Ik-perspectief
B
Personaal perspectief
C
Alwetende/auctoriale verteller

Slide 13 - Quizvraag


Karakter - Bordewijk
Tot zijn een en twintigste was hij in een boekhandel werkzaam als magazijnknecht, niet in de winkel. Dit was het eerste baantje dat hem enige bevrediging gaf, want te hooi en te gras kon hij nu zijn kennis vergroten. Maar hij schoot er niet op, hij verdiende nog steeds niet genoeg om op zichzelf te staan, hij bleef bij haar wonen.
Op een stroeve manier gingen zij met elkaar om. Hij was voor haar toch geen kwade zoon. ’s Zondagsmiddags gingen zij altijd wandelen. Ze wou naar de rivier, nooit ergens anders heen, zo gingen ze naar het Park of naar de Oude Plantage. Ze keken over het water, ze zeiden weinig, hun stilzwijgen was soms op de grens van vijandschap.


Slide 14 - Tekstslide

Opdracht vertelperspectief
Wat is het perspectief in 'Karakter'?
A
Ik-perspectief
B
Personaal perspectief
C
Alwetende/auctoriale verteller

Slide 15 - Quizvraag

Slide 16 - Tekstslide

Opdracht vertelperspectief
Wat is het perspectief in 'Een onbekende trekvogel'?
A
Ik-perspectief
B
Personaal perspectief
C
Alwetende/auctoriale verteller

Slide 17 - Quizvraag

0

Slide 18 - Video

Welk perspectief heb je net gehoord in 'Koning van Katoren'?
A
ik-perspectief
B
Personaal perspectief
C
alwetende verteller
D
hij/zij-perspectief

Slide 19 - Quizvraag

Opdracht vertelperspectief

De zin: 'Later zou hij nog vaak aan deze dag terugdenken', kom je tegen bij . . .
A
ik-perspectief
B
alwetende verteller
C
personaal perspectief
D
elk vertelperspectief

Slide 20 - Quizvraag

Opdracht vertelperspectief

Als je graag meeleeft met de hoofdpersoon, lees je het liefst boeken met een . . .
A
alwetende verteller
B
personaal perspectief
C
ik-perspectief
D
-

Slide 21 - Quizvraag

Vertelperspectief in Wonder

Op de volgende slides volgt een aantal vragen over het vertelperspectief in Wonder.

Denk goed na over de antwoorden, want je kunt ze goed gebruiken voor de toets! 

Werk eventueel samen met je buur, zodat je kunt overleggen.

Slide 22 - Tekstslide

Conclusie:
1. Van welk perspectief is er sprake in Wonder? Leg je antwoord uit.

Slide 23 - Open vraag

Conclusie:
2. Waarom zou een schrijver voor een wisselend perspectief kiezen?

Slide 24 - Open vraag

terugblik vragen!
Personages

Slide 25 - Tekstslide

Personages in Wonder

Op de volgende slides volgt een aantal vragen over de personages in Wonder.

Denk goed na over de antwoorden, want je kunt ze goed gebruiken voor de toets! 

Werk eventueel samen met je buur, zodat je kunt overleggen.

Slide 26 - Tekstslide

Conclusie:
1. Wie is de hoofdpersoon in Wonder?
2. Hoe kun je hem/haar beschrijven (kenmerken, uiterlijk, karakter)?

Slide 27 - Open vraag

Conclusie:
3. Wie zijn de 5 belangrijkste bijfiguren (medespelers dus)?
4. Hoe kun je hen beschrijven (kenmerken, uiterlijk, karakter)? Beschrijf ze alle 5.

Slide 28 - Open vraag

Auggie en zijn relatie met de bijpersonen
Auggie wil zijn eigen uiterlijk niet beschrijven, maar Via doet dit op een gegeven moment wel.

Auggies uiterlijk heeft invloed op iedereen die hij tegenkomt. In het boek lees je hoe verschillende personen over Auggie denken en met hem omgaan. Gebruik dit gegeven om de volgende vragen te beantwoorden.

Slide 29 - Tekstslide

Conclusie:
6. Hoe reageert Via op Auggie? Hoe denkt zij over hem en hoe gaat zij met hem om? Hoe zou je hun relatie beschrijven?

Slide 30 - Open vraag

Conclusie:
7. Hoe reageert Jack op Auggie? Hoe denkt hij over hem en hoe gaat hij met hem om? Hoe zou je hun relatie beschrijven?

Slide 31 - Open vraag

Conclusie:
8. Hoe reageert Julian op Auggie? Hoe denkt hij over hem en hoe gaat hij met hem om? Hoe zou je hun relatie beschrijven?

Slide 32 - Open vraag

Conclusie:
9. Hoe reageert Summer op Auggie? Hoe denkt zij over hem en hoe gaat zij met hem om? Hoe zou je hun relatie beschrijven?

Slide 33 - Open vraag

Conclusie:
10. Hoe reageren Auggies ouders op hem? Hoe denken zij over hem en hoe gaan zij met hem om? Hoe zou je hun relatie beschrijven?

Slide 34 - Open vraag

Conclusie:
11. Wie zijn de figuranten in het verhaal? Noem er 5.

Slide 35 - Open vraag