Donderdag 15 januari

Donderdag 15 januari 2026
09.15 uur 10.00 uur INLOOP NT2  BOEK LEZEN
12.35 - 13.05 uur  PAUZE
10.00- 10.45 uur NT2  Grammatica : verleden tijd
13.05 - 13.50 uur ICT met mevrouw Danielle
10.45 - 11.05 uur  PAUZE 
13.50 - 14.35 uur  
11.05 - 11.50  uur NT2 DICTEE 1.2 
11.50- 12.35  uur   NT2 Taal Compleet 1.4
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolvmbo bLeerjaar 2

In deze les zitten 20 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Donderdag 15 januari 2026
09.15 uur 10.00 uur INLOOP NT2  BOEK LEZEN
12.35 - 13.05 uur  PAUZE
10.00- 10.45 uur NT2  Grammatica : verleden tijd
13.05 - 13.50 uur ICT met mevrouw Danielle
10.45 - 11.05 uur  PAUZE 
13.50 - 14.35 uur  
11.05 - 11.50  uur NT2 DICTEE 1.2 
11.50- 12.35  uur   NT2 Taal Compleet 1.4

Slide 1 - Tekstslide

Boek lezen

Slide 2 - Tekstslide

Grammatica Les 36
Vandaag gaan we  de  VERLEDEN TIJD behandelen
Aan het eind van de les weet  je hoe je de verleden tijd  moet gebruiken.

Slide 3 - Tekstslide

VERLEDEN TIJD
De verleden tijd gebruik je om te vertellen hoe het vroeger was of wat er vroeger is gebeurd.

Slide 4 - Tekstslide

GEBRUIK
  • Nja woonde vroeger in Vietnam. 
  • Zij trouwde met een man uit Nederland.
  • Zij reisde met het vliegtuig naar Nederland.

  • Abdi en Jacfer woonden vroeger in Somalië.
  • Zij vluchtten naar Nederland.
  • Daar woonden zij een half jaar in een opvangcentrum.
  • Nu wonen zij in een gewoon huis.

Slide 5 - Tekstslide

VORM
  • vluchten                                  vluchtten 
  • trouwen                                   trouwde
  • reizen                                        reisde
  • wonen                                      woonden
  • wonen                                      woonde
Ook hierbij kan 't Kofschip weer gebruikt worden

Slide 6 - Tekstslide

De verleden tijd wordt gevormd door de volgende vormen achter de stam van het werkwoord te zetten:
-de / -te in het enkelvoud
-den / -ten in het meervoud
Als de laatste medeklinker van de stam in 't kofschip staat, komt er -t(en) achter de stam; in het andere geval -de(n)

Slide 7 - Tekstslide

Oefeningen
Jullie gaan nu de oefeningen van het werkblad maken. Kijk goed naar de voorbeelden op het werkblad.
SUCCES!

Slide 8 - Tekstslide

Voorbeelden
werkwoord                                       vervoeging
reizen                                                  ik reisde                              wij reisden
stam: reiz ( valse -s : reis)          jij/u reisde                          jullie reisden
de z staat niet in 't kofschip     hij/zij reisde                       zij reisden

Andere voorbeelden staan op het werkblad 

Slide 9 - Tekstslide

Antwoorden Oefening 1
  1. Waar woonde jij?
  2. Hoe heette hij?
  3. Hoe reisde je?
  4. Hoe vluchtte hij?
  5. Wat hoorde je?
  6. Wie praatte zo hard? 

Slide 10 - Tekstslide

Antwoorden oefening 2
  1. het regende              het heeft geregend
  2. het sneeuwde          het heeft gesneeuwd
  3. het hagelde               het heeft gehageld
  4. het waaide                 het heeft gewaaid
  5. het stormde              het heeft gestormd 

Slide 11 - Tekstslide

Antwoorden oefening 3
  1. De jongens speelden op straat met een bal.
  2. Een jongen schopte de bal door een raam.
  3. De kinderen renden weg.
  4. De bewoner van het huis belde de politie.
  5. Hij vertelde alles.
  6. De schilder zette een nieuwe ruit in. 

Slide 12 - Tekstslide

Antwoorden oefening 4
  1. De jongens hebben op straat met een bal gespeeld.
  2. Een jongen heeft de bal door een raam geschopt.
  3. De kinderen zijn weggerend.
  4. De bewoner van het huis heeft de politie opgebeld.
  5. Hij heeft alles verteld.
  6. De schilder heeft een nieuwe ruit ingezet. 

Slide 13 - Tekstslide

Antwoorden oefening 5
  1. rende
  2. haalde
  3. draaide
  4. hoorden
  5. renden
  6. vluchtte, speelde 

Slide 14 - Tekstslide

Pauze
  • Waar is de pauze?
  • Wat mag wel en wat mag niet in de pauze?
  • Waar mag je buiten zijn in de pauze? 

Slide 15 - Tekstslide

DICTEE 1.2
Ga je vaak met de auto naar je werk?
We betalen de huur iedere maand op tijd.
Mijn zoon heeft een nieuwe vriendin.
Kim gaat morgen naar een nieuwe school.
Gaat hij met jou op vakantie?
Jan leent vaak geld van zijn vrienden.
Hij is volgende week vrij.
Lara zet haar auto voor de deur.

Slide 16 - Tekstslide

TAAL COMPLEET 1.4

Slide 17 - Tekstslide

Pauze
  • Waar is de pauze?
  • Wat mag wel en wat mag niet in de pauze?
  • Waar mag je buiten zijn in de pauze? 

Slide 18 - Tekstslide

REKENEN 
met meneer Antoon

Slide 19 - Tekstslide

ICT met mevrouw Danielle
Leren werken met de laptop.

Slide 20 - Tekstslide