3 vmbo-b Thema 4 Stevigheid en beweging: herhalen deel 2

Thema 4 herhalen deel 2
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 35 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Thema 4 herhalen deel 2

Slide 1 - Tekstslide

wat gaan we vandaag doen?
herhalen 4.3 (beenverbindingen) en 4.4 (spieren)

kahoot

Slide 2 - Tekstslide

Thema 4 Stevigheid en beweging
4.3 Beenverbindingen

Slide 3 - Tekstslide

leerdoelen vandaag
Aan het einde van de les:
- kan je 4 beenverbindingen onderscheiden
- kan je delen van een gewricht benoemen met hun functies
- ken je 2 typen gewrichten en hun functies

Slide 4 - Tekstslide

4.3 Beenverbindingen
In je lichaam zijn de meeste botten met elkaar verbonden.

Er zijn 4 manieren waarop botten met elkaar verbonden zijn:
- vergroeid
- naad
- kraakbeen
- gewricht

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Het heiligbeen en het staartbeen bestaat uit wervels.
Deze wervels zijn met elkaar vergroeid.
Daardoor lijkt het 1 bot te zijn.

Botten die met elkaar vergroeid zijn, kunnen niet bewegen.

Slide 7 - Tekstslide

Bovenop een schedel zie je naden.
De schedelbeenderen kun je niet bewegen.
Daardoor ontstaat een stevige schedel.

Slide 8 - Tekstslide

Tussen het borstbeen en de ribben zit kraakbeen.
Ook tussen de wervels zit kraakbeen.

Daardoor kunnen de wervels een beetje bewegen.

Slide 9 - Tekstslide

Botten die met een gewricht aan elkaar zitten, kunnen goed bewegen.

Er zitten veel gewrichten in je lichaam.

Slide 10 - Tekstslide

Een gewricht bestaat meestal uit 2 botten.
Aan het ene bot zit een gewrichtskogel.
Aan het andere bot zit een gewrichtskom.
De gewrichtskogel kan in de gewrichtskom bewegen.

Slide 11 - Tekstslide

Op de gewrichtskogel en de gewrichtskom zit een laagje kraakbeen.

Door het kraakbeenlaagje kunnen de botten soepel bewegen.
De botten slijten ook minder snel door het kraakbeenlaagje.

Slide 12 - Tekstslide

Om het gewricht heen zit het gewrichtskapsel.

Het gewrichtskapsel zorgt ervoor dat de botten op hun plaats blijven.

Slide 13 - Tekstslide

In het gewricht zit gewrichtssmeer.
Gewrichtssmeer zorgt ervoor dat het gewricht soepel beweegt.

Het werkt als een soort smeervet.
Gewrichtssmeer wordt gemaakt door het gewrichtskapsel.

Slide 14 - Tekstslide

Om sommige gewrichten zitten stevige kapselbanden.

De kapselbanden helpen mee om de botten van het gewricht op hun plaats te houden.

Slide 15 - Tekstslide

4.3 Beenverbindingen
Je lichaam heeft 2 soorten gewrichten:
- kogelgewrichten
- scharniergewrichten

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Thema 4 Stevigheid en beweging
4.4 Spieren

Slide 19 - Tekstslide

leerdoelen vandaag
Aan het einde van de les:
- kan je de bouw van spieren beschrijven
- kan je de werking van spieren beschrijven

Slide 20 - Tekstslide

4.4 Spieren
Veel spieren zitten aan botten vast.
Samen met de botten zorgen de spieren voor beweging.

Alle skeletspieren samen vormen het spierstelsel.

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Om de spier zit een spierschede.
De spierschede geeft stevigheid aan de spier.

Aan beide uiteinden van de spier zit een pees.
Met de pezen zit een spier vast aan botten.

Slide 23 - Tekstslide

Een spier bestaat uit spierbundels.

Een spierbundel is een verzameling spiervezels.

Slide 24 - Tekstslide

Spieren zijn verbonden met zenuwcellen.
De zenuwcellen geven een seintje aan de spiervezels.
Hierdoor trekken spieren zich samen en kun je bewegen.

Slide 25 - Tekstslide

Seintjes vanaf je hersenen gaan via zenuwen naar spieren.
Een zenuwcel vertakt zich. Zo komen de seintjes bij de spiervezels aan.

De seintjes zorgen ervoor dat de spiervezels samentrekken.
De spier wordt dan korter en dikker.

Slide 26 - Tekstslide

4.4 Spieren
Spieren hebben energie nodig om samen te trekken.
Deze energie komt vrij bij verbranding.

Voor verbranding zijn zuurstof en glucose nodig.
Het bloed voert deze stoffen aan.

Bij de verbranding ontstaat energie in de vorm van warmte en beweging.
Bij de verbranding ontstaat ook koolstofdioxide.
Het bloed voert koolstofdioxide af.

Slide 27 - Tekstslide

Links zie je een kuitspier en botten in een been.

De kuitspier zit met pezen vast aan de botten. De plek waar een pees aan het bot vastzit, noem je de aanhechtingsplaats.

Slide 28 - Tekstslide

Als de kuitspier zich samentrekt, wordt hij korter. Hij trekt dan de aanhechtingsplaatsen naar elkaar toe.

Hierdoor ontstaat een beweging.

In de afbeelding wordt het hielbeen naar boven getrokken.

Slide 29 - Tekstslide

Links zie je een ander voorbeeld.

De arm buigt als de armbuigspier (biceps) in de bovenarm samentrekt.

Als de armbuigspier samentrekt, wordt hij korter en dikker.


Slide 30 - Tekstslide

Links zie je 3 spieren in de bovenarm.
De armstrekspier kan de arm strekken.

Om je arm heen en weer te bewegen, zijn 2 spieren  nodig.

Slide 31 - Tekstslide

Spieren die tegengesteld werken, vormen een antagonistisch paar.

Een buigspier zorgt ervoor dat een deel van het lichaam buigt.
Een strekspier zorgt ervoor dat een deel van het lichaam strekt.

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

VRAGEN??

Slide 34 - Tekstslide

En dan nu: Kahoot!

Slide 35 - Tekstslide