6.3 aanwijzend vnw

Van lidwoord naar aanwijzend voornaamwoord
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Van lidwoord naar aanwijzend voornaamwoord

Slide 1 - Tekstslide

De-woorden
1. Woorden voor personen, bergen of rivieren
     de moeder, de kok, de opa, de Rijn, de Kilimanjaro…
2. Woorden die in het meervoud staan
     de huizen, de bomen, de kinderen…
3. Woorden voor vruchten of bomen
     de appel, de peer, de eik, de kastanje…
4. Letters en cijfers
     de negende, de vijf, de a, de b...                                                 

Slide 2 - Tekstslide

Het-woorden
1. Alle verkleinwoorden                                                                        
     het boompje, het hutje, het meisje, het kettinkje...
2. Woorden die eindigen op -isme, -ment, -sel en -um
     het toerisme, het amusement, het zonnestelsel, het centrum…
3. Woorden (twee of meer lettergrepen) die beginnen met be-, ge-, ver-, ont-      het begin, het gebruik, het verhaal, het ontbijt... 
4. Namen van talen, metalen en windrichtingen
   het Nederlands, het Duits, het goud, het ijzer, het oosten, het zuidwesten...
                                                                                                                   

Slide 3 - Tekstslide

'een'
'een' is een lidwoord dat je kunt gebruiken voor alle woorden
Je gebruikt het als je iets in het algemeen wilt zeggen

De stoel is zwart. (de stoel waar ik naar kijk of wijs)
Pak een zwarte stoel. (er zijn meer zwarte stoelen, je mag er 1 kiezen, het maakt niet uit welke)

Slide 4 - Tekstslide

'een'
Ik zie een bruine vogel.
De nadruk is op wat zie je?

Ik zie de bruine vogel.
De nadruk is op de vogel. Iemand anders praat over de bruine vogel. Jij zegt dat jij die bruine vogel ziet.

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Dingen en mensen aanwijzen
de Aanwijzende Voornaamwoorden
dingen en mensen aanwijzen
de aanwijzende voornaamwoorden
deze - die
dit - dat
deze man, die vrouw, dit kind, dat boek

Slide 7 - Tekstslide


hier 

daar
singularis
de broek
deze broek
die broek
het shirt
dit shirt
dat shirt
pluralis
de broeken
deze broeken
die broeken
de shirts
deze shirts
die shirts

Slide 8 - Tekstslide

Aanwijzend voornaamwoord
                      Dichtbij                  Ver weg
Enkelvoud Dit boek(het)         Dat boek (het)                  
                     Deze stad (de)       Die stad(de)    
Meervoud  Deze boeken        Die boeken 

De school, deze school, die school
Het huis, dit huis, dat huis
De juf, deze juf, die juf
Het paard, dit paard, dat paard
De auto, deze auto, die auto
De kinderen, deze kinderen, die kinderen
De stoel, deze stoel, die stoel
De pennen, deze pennen, die pennen

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Neem je ......... rode paprika of ......... groene? (de paprika)
A
deze, deze
B
dit, dit
C
deze, dit
D
dit, deze

Slide 13 - Quizvraag

Ik neem ......... bril. .......... andere bril staat me niet. (de bril)
A
deze, die
B
deze, dat
C
dat, dat
D
deze, dit

Slide 14 - Quizvraag

Ober, .......... biefstuk is niet vers! (de biefstuk)
A
dit
B
deze

Slide 15 - Quizvraag

Ik houd van ijs, maar ...... ijs vind ik niet lekker (het ijs)
A
die
B
dit

Slide 16 - Quizvraag

Vul het goede lidwoord in.....
meisje
A
De
B
Het

Slide 17 - Quizvraag

Vul het goede lidwoord in.....
appel
A
De
B
Het

Slide 18 - Quizvraag

Vul het goede lidwoord in.....
bericht
A
De
B
Het

Slide 19 - Quizvraag

Vul het goede lidwoord in.....
dokter
A
De
B
Het

Slide 20 - Quizvraag

Vul het goede lidwoord in.....
deksel
A
De
B
Het

Slide 21 - Quizvraag

Vul het goede lidwoord in.....
huisje
A
De
B
Het

Slide 22 - Quizvraag

Vul het goede lidwoord in.....
Nijl
A
De
B
Het

Slide 23 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
Het huis staat in straat.
B
Huis staat in straat.
C
Huis staat in de straat.
D
Het huis staat in de straat.

Slide 24 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
In het huis staat de bank.
B
In het huis staat een bank.
C
In huis staat een bank.
D
In het huis staat bank.

Slide 25 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
In de tuin zijn de bloemen.
B
In de tuin zijn een bloemen.
C
In de tuin zijn bloemen.
D
In tuin zijn bloemen.

Slide 26 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
Auto staat in de garage.
B
Mijn auto staat in garage.
C
Auto staat in garage.
D
Mijn auto staat in de garage.

Slide 27 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
Ik doe een suiker in de koffie.
B
Ik doe suiker in koffie.
C
Ik doe suiker in de koffie.
D
Ik doe de suiker in koffie.

Slide 28 - Quizvraag

Slide 29 - Tekstslide

Vul het goede aanwijzend voornaamwoord in.....
meisje
A
Dit
B
Deze
C
Die
D
Dat

Slide 30 - Quizvraag

Vul het goede aanwijzend voornaamwoord in.....
appel
A
Dit
B
Deze
C
Die
D
Dat

Slide 31 - Quizvraag

Vul het goede aanwijzend voornaamwoord in..........
bericht
A
Dit
B
Deze
C
Die
D
Dat

Slide 32 - Quizvraag

Vul het goede aanwijzend voornaamwoord in.....
kinderen
A
Dit
B
Deze
C
Die
D
Dat

Slide 33 - Quizvraag

Vul het goede aanwijzend voornaamwoord in.....
dokter
A
Dit
B
Deze
C
Die
D
Dat

Slide 34 - Quizvraag

Vul het goede aanwijzend voornaamwoord in..........
deksel
A
Dit
B
Deze
C
Die
D
Dat

Slide 35 - Quizvraag

Vul het goede aanwijzend voornaamwoord in..........
huisje
A
Dit
B
Deze
C
Die
D
Dat

Slide 36 - Quizvraag

Vul het goede lidwoord in.....
huizen
A
Dit
B
Deze
C
Die
D
Dat

Slide 37 - Quizvraag

Slide 38 - Link