1F H5 Breuken en kommagetallen (AI)

Breuken en kommagetallen in de praktijk

1 / 30
volgende
Slide 1: Slide
newEditorRekenenVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Breuken en kommagetallen in de praktijk

Wat weet je al over breuken en kommagetallen?

Aan het eind van de les kun je:

- breuken herkennen, vergelijken en vereenvoudigen - breuken optellen en aftrekken - gemengde breuken omzetten en bewerken - breuken vermenigvuldigen - kommagetallen herkennen en omzetten

Wat zijn breuken?

Een breuk betekent een deel van een geheel, bijvoorbeeld 1/2 van een pizza.

Breuk opstellen bij een verhaal

Als je een taart verdeelt onder 4 kinderen, krijgt elk kind 1/4 van de taart. Welke breuk hoort bij drie kinderen die evenveel delen?

Opgave: Breuk bij een plaatje

Bekijk het plaatje met vier stukken taart. Hoeveel stukken zijn opgegeten? Schrijf de juiste breuk op.

Breuken vergelijken

Een breuk is groter als de teller groter is bij gelijke noemer. Bijvoorbeeld: 3/5 is groter dan 2/5.

Opgave: Vergelijk breuken

Welke breuk is groter: 2/3 of 3/4? Leg uit waarom.

Breuken vereenvoudigen

Een breuk vereenvoudig je door teller en noemer te delen door hetzelfde getal. Bijvoorbeeld: 4/8 wordt 1/2.

Opgave: Vereenvoudig de breuk

Vereenvoudig 6/9 zo ver mogelijk. Wat krijg je?

Breuken optellen en aftrekken

Je kunt alleen optellen of aftrekken als de noemers gelijk zijn. 1/4 + 2/4 = 3/4.

Opgave: Breuken optellen

Tel deze breuken bij elkaar op: 3/7 + 2/7 = ?

Breuken aftrekken

Als de noemers gelijk zijn, trek je de tellers van elkaar af. Bijvoorbeeld: 5/9 - 2/9 = 3/9.

Opgave: Trek breuken af

5/8 - 3/8 = ?

Gemengde breuken

Een gemengde breuk heeft een heel getal en een breuk, bijvoorbeeld 2 1/3.

Opgave: Omzetten naar gemengde breuk

Zet 7/4 om naar een gemengde breuk.

Gemengde breuken optellen/aftrekken

Optellen: Tel eerst de hele getallen op, daarna de breuken. Voorbeeld: 1 1/4 + 2 2/4 = 3 3/4.

Opgave: Gemengde breuken optellen

Reken uit: 1 2/5 + 2 1/5 = ?

Breuken vermenigvuldigen met een geheel getal

Je vermenigvuldigt de teller, de noemer blijft gelijk. Voorbeeld: 2 × 1/3 = 2/3.

Opgave: Vermenigvuldig de breuk

Bereken: 3 × 2/7 = ?

Van breuk naar kommagetal

Deel de teller door de noemer om een breuk als kommagetal te schrijven. Bijvoorbeeld: 1/2 = 0,5.

Opgave: Zet breuk om in kommagetal

Zet 3/5 om naar een kommagetal.

Van kommagetal naar breuk

Kijk naar het cijfer achter de komma, bijvoorbeeld 0,75 = 75/100.

Kommagetallen optellen en aftrekken

Schrijf de getallen onder elkaar met de komma's recht. Tel of trek daarna af.

Opgave: Kommagetallen

Reken uit: 2,4 + 3,1 = ?

Vermenigvuldigen/delen met 10, 100, 1000

Schuif de komma naar rechts als je vermenigvuldigt, naar links als je deelt. Bijvoorbeeld: 2,3 × 10 = 23.

Opgave: Komma verschuiven

Wat is 8,52 × 100?

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.