TC B1 thema 2.1 deel 2

Thema 2.1
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Thema 2.1

Slide 1 - Tekstslide

Programma 18-2


Toets thema 1 bespreken
Thema 1.2

Slide 2 - Tekstslide

Maak een zin

Slide 3 - Tekstslide

8.1 Wat is gezond om in de pauze te eten? (rauw)

Slide 4 - Open vraag

8.2 Wat heb ik nodig voor dat recept? (mager)

Slide 5 - Open vraag

8.3 Hoe vaak ga jij sporten? (wisselen)

Slide 6 - Open vraag

8.4 Je hebt te veel eten gekookt. Wat doe je dan? (diepvries)

Slide 7 - Open vraag

8.5 Hoe is het weer buiten? (fris)

Slide 8 - Open vraag

8.6. Hoe weet ik of een product gezond is? (het etiket)

Slide 9 - Open vraag

9. 1 Maak een zin: verslaafd zijn (aan)

Slide 10 - Open vraag

9.2 Maak een zin met: vrije tijd

Slide 11 - Open vraag

9.3 Maak een zin met: oefening

Slide 12 - Open vraag

9.4 Maak een zin met: actief

Slide 13 - Open vraag

9.5 Maak een zin met: drugs

Slide 14 - Open vraag

9.6 Maak een zin met: zich ontspannen

Slide 15 - Open vraag

10. Lees de vragen en luister dan naar de tekst.**

Schrijf de antwoorden in je boek op blz. 47. 

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Link

Opdracht 11.**
Reactie met gevoel op een probleem.
Advies
Reactie op een advies.

Bewegen is belangrijk.

Dat is niet leuk.

Goed idee! 

Ik weet het niet, hoor! 

Ik zou minder snoepen.

Ja, dat is zo.

Je kunt het best groenten eten.

Misschien moet je vaker de trap nemen.

Wat lastig! 
Wat vervelend!

Slide 18 - Sleepvraag

Handige zinnen
Met gevoel reageren            Advies geven                    Reageren op adviezen

Wat lastig!                                 Je kunt het best ...          Ik weet het niet, hoor.
Dat is niet leuk.                       Misschien moet je ...     Goed idee!
Wat vervelend!                        Ik zou ...                               Ja, dat is zo! 
                                                        ... is belangrijk. 

           Na kunnen, moeten en zou(den) gebruik en een tweede werkwoord. 

Slide 19 - Tekstslide

Maak de zinnen af.
Pagina 48

Slide 20 - Tekstslide

Opdracht 15
Spreek samen 
timer
8:00

Slide 21 - Tekstslide

Grammatica en schrijven
Je kunt een tweede werkwoord gebruiken na: 
blijven                          willen                             laten
gaan                              zie                                   kunnen leren
helpen                          zullen                             komen moeten
horen                            mogen

Het eerste werkwoord hoort bij het onderwerp. Het tweede werkwoord staat aan het einde van de zin. Je gebruikt het hele werkwoord.

Ze mogen geen televisie kijken.                       Maaike hoort de buren buiten schreeuwen.
Ik zou meer sporten. 

Slide 22 - Tekstslide

Vul twee antwoorden in!

Slide 23 - Tekstslide

17.1 - Iedereen moet / moeten minstens 20 minuten per dag beweegt / bewegen.
A
Moet
B
Moeten
C
Beweegt
D
Bewegen

Slide 24 - Quizvraag

17.2 - Ik zal / zult veel groenten en fruit koop / kopen.
A
zal
B
zult
C
koop
D
kopen

Slide 25 - Quizvraag

17.3 - Jij komt / komen vanavond bij ons eet / eten.
A
komt
B
komen
C
eet
D
eten

Slide 26 - Quizvraag

17.4 - Lisa ziet / zien de frisdrank in de kast staat / staan.
A
ziet
B
zien
C
staat
D
staan

Slide 27 - Quizvraag

17.5 - Jullie gaat / gaan morgen sport / sporten.
A
gaat
B
gaan
C
sport
D
sporten

Slide 28 - Quizvraag

17.6 - Mijn zoon mag / mogen niet de hele dag achter de computer zit / zitten.
A
mag
B
mogen
C
zit
D
zitten

Slide 29 - Quizvraag

18.1 - Nahom ... extra vitamines...
(moeten, slikken)

Slide 30 - Open vraag

18.2 - Wij ... het recept niet...
(kunnen, vinden)

Slide 31 - Open vraag

18.3 - Raoel en Sanne ... geen vlees...
(willen, eten)

Slide 32 - Open vraag

18.4 - De vrouw ... haar sporttas...
(laten, vallen)

Slide 33 - Open vraag

18.5 - Ik ... in de pauze even ...
(gaan, wandelen)

Slide 34 - Open vraag

Werkblad 2.1b

                                                                  Spreek samen.
Cursist A: lees de vraag.
Cursist B: geef antwoord. Gebruik een tweede werkwoord.
Klaar? Dan leest cursist B de volgende vraag.

                                                                     Bijvoorbeeld:
Cursist A: Kom je eten?
Cursist B: Nee, ik kom praten.

Slide 35 - Tekstslide

Werkblad 2.1c

                                                                  
                                                      Je gaat adviezen schrijven

Slide 36 - Tekstslide

Oefening 20
Spreek samen
Pagina 50

Slide 37 - Tekstslide

Zelfstandig werken
Maak opdracht 23 en 24 op bladzijde 51 zelfstandig. 

timer
5:00

Slide 38 - Tekstslide

Oefening 25
Spreek samen
Wat doe jij zelf? wat laat jij doen?
Pagina 51

Slide 39 - Tekstslide

Begrijp je de les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 40 - Poll