cross

3H SK NOVA katern les 9 - 3.3 Massa deel 2

NOVA overgangskatern
3.3 Massa  - les 2



Nodig: 
schrift en rekenmachine  
kaartje periodiek systeem
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

NOVA overgangskatern
3.3 Massa  - les 2



Nodig: 
schrift en rekenmachine  
kaartje periodiek systeem

Slide 1 - Tekstslide

Programma
  • Leerdoelen
  • Uitleg en opdrachten afgewisseld (in totaal zijn er 16 opdrachten)
  • Evaluatie



Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
Je kan de massa van een molecuul berekenen met behulp van de atoom-massa’s uit het PS. 

Je kan zelf bij een chemische reactie de massaverhouding afleiden uit de molecuulmassa’s.

Slide 3 - Tekstslide

Differentiatie
groen = basisstof, deze opdrachten maakt iedereen

oranje = extra oefening, kies deze opdrachten als je meer wil herhalen

paars = verdieping, kies deze opdrachten als je meer uitdaging wil

Slide 4 - Tekstslide

Massaverhouding
Eerst even herhalen hoe je daar ook alweer mee rekent.

Het werkt het beste om de open vragen in je schrift te maken. Upload een foto van je uitwerking.

Slide 5 - Tekstslide

De volgende vraag gaat over de verbranding van een metaalpoeder

Slide 6 - Tekstslide

Opdracht 3a
Fijn verdeeld aluminium is zeer brandbaar.
Bij de verbranding reageert aluminium met zuurstof.
Uit 0,054 gram aluminium ontstaat 0,102 gram aluminium oxide.
Geef het reactieschema in woorden.

Slide 7 - Open vraag

Opdracht 3b
Uit 0,054 gram aluminium ontstaat dus 0,102 gram aluminium oxide.
Het reactie schema is:
aluminium (s) + zuurstof (g) -> alumiuniumoxide (s)
Bereken hoeveel zuurstof er heeft gereageert.

Slide 8 - Open vraag

aluminium (s) + zuurstof (g) -> alumiuniumoxide (s)
0,054 0,048 0,102
Deze massaverhouding geldt ook voor de elektrolyse van gesmolten aluminiumoxide. Bereken hoeveel ton aluminium gemaakt kan worden uit 1,0 ton (=1000 kg) alumiunmoxide

Slide 9 - Open vraag

Massaverhouding 
Je gaat nu leren hoe je zelf de massaverhouding kan afleiden uit de molecuulformules bij de reactievergelijking

Slide 10 - Tekstslide


De atoommassa
(of atoomgewicht) meet je niet in gram
maar met de eenheid
unit afkorting: u

De massa van een H-atoom = 1,008 u
 
1u=1,661024g
1u=0,00000000000000000000000166g

Slide 11 - Tekstslide

Welk atoom is zwaarste? Een waterstofatoom, een magnesiumatoom of een zuurstofatoom?

Gebruik het kaartje van het PS.
A
waterstofatoom
B
magnesiumatoom
C
zuurstofatoom

Slide 12 - Quizvraag

Bereken de massa van een
molecuul (denk aan de eenheid en rond af op twee decimalen).
H2O

Slide 13 - Open vraag

Bereken de massa van een zuurstofmolecuul.

Slide 14 - Open vraag

Herhaling: MOLECUUL MASSA
Bereken mbv het PS kaartje de massa van:
a) b) 2 c) 3


Slide 15 - Open vraag

 We gaan nu kijken naar de massa van de moleculen bij een chemische reactie. 
Voorbeeld 1:   koolstof (S) + zuurstof (g) -> koolstofdioxide (g)
             C(s)        +           O2 (g)    ->     CO2(g)
We berekenen van alledrie de moleculen de massa:

          C                              O2                           CO2 
                                                                    2 x 16,00                   1x 12,01 + 2 x 16,00 
                     12,01 u                       = 32,00 u                    = 44,01 u

Wat valt je op als je de massa van C en O2 vergelijkt met die van CO2?
Precies, de massa van C + O2 is gelijk aan de massa van CO2.
Dat is weer de wet van behoud van massa!

Slide 16 - Tekstslide

vervolg voorbeeld 1
koolstof (s) + zuurstof (g) -> koolstofdioxide (g)
C (s) + O2 (g) -> CO2 (g)

12,01 u     +    32,00 u      =   44,01 u

Conclusie:
Het aantal atomen links en rechts van de pijl is gelijk 
De massa links en rechts van de pijl is gelijk



Slide 17 - Tekstslide

We weten nu:

12,01 u + 32,00 u = 44,01 u
Je kunt de massa's ook omzetten in een verhouding.
Welke massaverhouding voor is juist?
C(s)+O2(g)>CO2(g)
C:O2
A
1,0 : 2,0
B
1 : 1
C
1,00 : 2,66

Slide 18 - Quizvraag

Uitleg van het antwoord op de vorige vraag
                                    koolstof (s) + zuurstof (g) -> koolstofdioxide (g)
                                                      C (s)   +   O2 (g)   ->   CO2 (g)
                                                   12,01 u       32,00 u               
massaverhouding               1,00      :      2,66                                               

Slide 19 - Tekstslide

Bij de reactie reageren koolstof en zuurstof dus in de massaverhouding 1,00 : 2,66.

Als je 5,00 gram koolstof wil laten reageren, hoeveel gram zuurstof heb je dan nodig?

C(s)+O2(g)>CO2(g)
A
5,00 g zuurstof
B
13,3 gram zuurstof
C
2,66 gram zuurstof

Slide 20 - Quizvraag

IJzeroxide

 Je gaat net zo'n soort berekening maken voor de vorming van roodbruin ijzeroxide.

Slide 21 - Tekstslide

Opdracht a.
Maak een kloppende reactievergelijking voor de reactie van ijzer met zuurstof.
Er ontstaat ijzeroxide, (FeO(s)).

Slide 22 - Open vraag

Opdracht 1b

Reactievergelijking:
Zet onder elke formule de massa.

Slide 23 - Open vraag

Opdracht 1c.
We hebben nu:
massa's: 111,70 u 32,00 u 143,70 u

Hoe kan je nu zien of aan de Wet van Behoud van massa voldaan is?

Slide 24 - Open vraag

Opdracht 1d. Stel je wil 100 gram ijzeroxide maken.
Bereken hoeveel ijzer en hoeveel zuurstof je nodig hebt.

111,70 u 32,00 u 143,70 u
? gram ? gram 100 gram

Slide 25 - Open vraag

De volgende vraag gaat over de vorming van salmiak

Slide 26 - Tekstslide

Opdracht 2a.

Maak een kloppende reactievergelijking voor de vorming van salmiak
uit waterstofchloride (g) en ammoniak.

Slide 27 - Open vraag

Opdracht 2b

Reactievergelijking:
Zet onder elke formule de massa.

Slide 28 - Open vraag

Opdracht 2c. Je laat 9,0 gram waterstofchloride reageren.
Bereken hoeveel ammoniak je nodig hebt en hoeveel salmiak er ontstaat.

36,46 u 17,02 u 53,48 u
9,0 gram ? gram ? gram

Slide 29 - Open vraag

Yes, je hebt de les nu bijna afgerond ...

 

in de volgende dia ga je verder met de evaluatie.



Slide 30 - Tekstslide

Schrijf drie dingen op die je deze les hebt geleerd.

Slide 31 - Open vraag

Schrijf één of twee dingen op die je deze les nog niet zo goed hebt begrepen.

Slide 32 - Open vraag

EINDE

Slide 33 - Tekstslide