grammatica 4 aanwijzend en vragend voornaamwoord

Programma
cijfers flyer
1) Bespreken huiswerk
2) Opdrachten met LessonUp/ vragen?
3) Uitleg aanwijzend en vragend voornaamwoord
4) Opdrachten
5) huiswerk
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Programma
cijfers flyer
1) Bespreken huiswerk
2) Opdrachten met LessonUp/ vragen?
3) Uitleg aanwijzend en vragend voornaamwoord
4) Opdrachten
5) huiswerk

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoel:
Je kent  het onderscheid tussen een zelfstandig werkwoord en een hulpwerkwoord en je leert wat aanwijzende en vragende voornaamwoorden zijn!

Ook ken je het zelfstandig naamwoord, bepaald en onbepaald lidwoord en het bijvoeglijk naamwoord!

Slide 2 - Tekstslide

Bespreken opdracht 1, blz. 90
  • 1 wil – gaan – bungeejumpen (zww)
  • 2 moet – gaan – vriezen (zww)
  • 3 Had – kunnen – bewaren (zww)
  • 4 zal – willen – zorgen (zww)
  • 5 zou – gegeten (zww) – hebben
  • 6 moet – doen (zww)
  • Let op: Het zww staat niet altijd als laatste ww in de zin (zie zin 5).
  • Tip: Een voltooid deelwoord is altijd het zww.

Slide 3 - Tekstslide

zelfstandig naamwoord
bepaald lidwoord
onbepaald lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig werkwoord
hulpwerkwoord
hww
bn
zn
blw
olw
zww

Slide 4 - Sleepvraag

Wat is de woordsoort van 'het' in onderstaande zin:

Je zult HET niet geloven.
A
bepaald lidwoord
B
onbepaald lidwoord
C
geen lidwoord
D
zelfstandig naamwoord

Slide 5 - Quizvraag

Wat is het zelfstandig werkwoord (zww) in deze zin:

Je zult het niet geloven.
A
je
B
zult
C
niet
D
geloven

Slide 6 - Quizvraag

Wat is de woordsoort van 'een' in deze zin:

Een van de sollicitanten verloor zijn geduld in de stille wachtkamer.
A
bepaald lidwoord
B
onbepaald lidwoord
C
geen lidwoord
D
bijvoeglijk naamwoord

Slide 7 - Quizvraag

Wat zijn de zelfstandig naamwoorden in deze zin:

Een van de sollicitanten verloor zijn geduld in de stille wachtkamer.
A
sollicitanten, geduld, wachtkamer
B
sollicitanten, wachtkamer
C
verloor
D
stille

Slide 8 - Quizvraag

Wat zijn de zelfstandig naamwoorden in deze zin:

Jeffrey en Lesley zullen wel verlof krijgen voor de bruiloft.
A
Jeffrey, Lesley, verlof, bruiloft
B
Jeffrey en Lesley
C
verlof, bruiloft
D
krijgen

Slide 9 - Quizvraag

Wat is het zelfstandige werkwoord in deze zin:

De strenge docent keurde het opstel opnieuw af.
A
keurde
B
keurde af (afkeuren)
C
strenge
D
opnieuw

Slide 10 - Quizvraag

je
over
voor
?
zelfstandig naamwoord (zn)
bepaald lidwoord (blw)
onbepaald lidwoord (olw)
bijvoeglijk naamwoord (bn)
zelfstandig werkwoord (zww)
hulpwerkwoord (hww)
Heb
nagedacht
een
verrassende
bijdrage
het
familiefeest

Slide 11 - Sleepvraag

Heb je nog vragen over de woordsoorten die we tot nu toe hebben gehad?

Slide 12 - Open vraag

aanwijzend voornaamwoord (aanw.vnw)
Een aanwijzend voornaamwoord wijst een mens, een dier of een ding aan.
Deze vrouw, dat paard, die fiets. 
Dit zijn de aanwijzende voornaamwoorden: die, deze, dat, dit, zulk(e), zo'n, dergelijk(e), zelf, hetzelfde, dezelfde.
Een aanwijzend voornaamwoord kan VOOR een zelfstandig naamwoord staan, maar het kan ook ALLEEN staan. Deze rode fiets vind ik mooier dan die.

  • Let op: de woorden dat en die zijn alleen aanw.vnw als je ze kunt vervangen door dit en deze.
  • woorden die een plaats of richting aangeven zijn geen aanwijzend voornaamwoord.

Slide 13 - Tekstslide

Vragend voornaamwoord (vr.vnw)
Er zijn 4 vragende voornaamwoorden: wie, wat, welk(e), wat voor (een). 
Ze staan meestal aan het begin van de zin.
Wat heb je gedaan? Wie heb je gezien? Met welke boot ga jij?
Hij vroeg wie dat heeft gezegd.

  • Let op: wie en wat zijn geen vr.vnw als ze terugverwijzen naar een eerder genoemd woord.  De leuke jongen over wie je mij zojuist vertelde....

Slide 14 - Tekstslide

Wat is het vragende voornaamwoord in deze zin:

Waarom vraag je niet wie dat heeft gedaan?

A
waarom
B
wie

Slide 15 - Quizvraag

Wat is het aanwijzend voornaamwoord in deze zin:

Ik vind dat deze leerling goed werkt.
A
dat
B
deze

Slide 16 - Quizvraag

Wat zijn de aanwijzende voornaamwoorden in deze zin:
Deze jongen heeft zulke rare vrienden en die komen vanavond ook.
A
deze, die
B
en, ook
C
deze, zulke,die
D
zulke

Slide 17 - Quizvraag

Wat zijn de vier vragende voornaamwoorden?
A
wie, wat, welke, waarom
B
hoe, wanneer, waarom, waar
C
wie, wat, welke, wat voor een

Slide 18 - Quizvraag

Maken/Huiswerk

Maak de startopdracht en opdracht 1 t/m 4
 van de digitale opdrachten van grammatica H4 woordsoorten (aanwijzende en vragende voornaamwoorden).



Slide 19 - Tekstslide