Grammatica voegwoorden

Grammatica voegwoorden
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
Alfabetisering NT2Middelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Grammatica voegwoorden

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voegwoorden: wat zijn dat ook alweer? 
Zinnen verbinden
En, maar, of, want, omdat, zodat, als, toen, nadat, voordat...

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Reden
Tijd
Oorzaak-gevolg
Voorwaarde
omdat
want 
als
toen
nadat
voordat
zodat
doordat

Slide 3 - Sleepvraag

oorzaak: Doordat, zodat

tijd : Toen, nadat, voordat

reden: omdat, want

voorwaarde: als
Voegwoord als opsomming
A
en
B
omdat
C
maar
D
of

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Voegwoord als tegenstelling
A
of
B
als
C
maar
D
zodat

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Voegwoorden met reden
want
omdat
(aangezien)

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voegwoorden met voorwaarde
als.. dan
wanneer

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Julia kijkt televisie, ... ze haar huiswerk af heeft.
A
wanneer
B
dan
C
want
D
maar

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

... ik ziek ben, kom ik niet naar school.
A
want
B
omdat
C
daardoor
D
zodat

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Na het voegwoord toen wordt altijd de verleden tijd gebruikt
A
waar
B
niet waar

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Toen/als
Toen: verleden tijd. 
Toen de bel ging, stonden de leerlingen meteen op.
De leerlingen stonden meteen op toen de bel ging

Als: tegenwoordige tijd (voorwaarde)
Als de bel gaat, staan de leerlingen meteen op.
De leerlingen staan meteen op als de bel gaat

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sinds
Sinds = vanaf de tijd

Sinds ik in Nederland ben, heb ik het altijd koud.
Ik heb het altijd koud sinds ik in Nederland ben

Sinds = meestal in tegenwoordige tijd.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Terwijl
Terwijl = tegelijkertijd, in dezelfde tijd

Terwijl ik strijk, kookt mijn man het eten.
Mijn man kookt het eten, terwijl ik strijk

Terwijl ik streek, kookte mijn man het eten. 

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zodra
Zodra = meteen als, direct op het moment dat

Zodra ik achttien jaar ben, ga ik mijn rijbewijs halen.
Ik ga mijn rijbewijs halen, zodra ik achttien jaar ben

Zodra ik achttien jaar was, haalde ik mijn rijbewijs. 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

... ik op het ISK zit, wordt mijn Nederlands steeds beter.
A
Zodra
B
Toen
C
Sinds
D
Terwijl

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

... het vakantie is, kijk ik niet meer in mijn schoolboeken!
A
Zodra
B
Want
C
Toen
D
Maar

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De leerlingen studeren ... de docent de toetsen nakijkt.
A
want
B
omdat
C
nadat
D
terwijl

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies